Journalistiek als chantagemiddel

De verschijning van Le Matin (1884-1944) Une presse d’argent et de chantage is alleen al mooi omdat die helpt een hardnekkig misverstand uit de wereld te helpen.

Tussen 1977 en 1987 namelijk verscheen als bijwagen van het links-georiënteerde weekblad Le Nouvel Observateur het dagblad Le Matin de Paris. Deze titel had niets maar dan ook helemaal niets te maken met de in 1884 in Parijs opgerichte krant Le Matin.
Het was een groepje Amerikaanse investeerders dat naar voorbeeld van het Britse The Morning News in Parijs Le Matin in het leven riep. Ze vroegen de Franse journalist (maar in Engeland geboren) Alfred Edwards de hoofdredactie te voeren. Er ontstond ruzie en Edwards begon een eigen krant onder de niet mis te verstane titel Le Matin Français. Zijn krant werd zo’n succes dat Edwards al na een paar maanden in de positie was de oorspronkelijke Matin op te kopen en met zijn eigen titel samen te voegen, het bijvoeglijk naamwoord Français kon er weer af.

Edwards was een vernieuwer. Hij gebruikte als een van de eersten het nieuws dat via de telegraaf van ver gehaald kon worden in zijn berichtgeving en in dezelfde periode dat Amerikaanse kranten daarmee begonnen, contracteerde Le Matin bekende schrijvers en politici om zo de aandacht van het grote publiek te trekken. Vooral publiek dat niets moest hebben van socialistische politiek en des te meer van schandalen en sterke verhalen.
Tien jaar later verkocht Edwards zijn succesvolle krant aan weer twee andere zakenmannen: Henry Poidatz en Maurice Bunau-Varilla. De eerste had zijn geld verdiend met advertentieverkoop voor Le Figaro en Le Petit Journal, de tweede was ronduit een louche figuur die rijk was geworden met duistere zaakjes. Omdat Poidatz al snel uit beeld verdween gaat het boek dat Dominique Pinsolle nu over Le Matin gepubliceerd heeft voornamelijk over het meer dan veertigjarig bewind van Bunau-Varilla.

Onder de slogan ‘Le Matin ziet alles, weet alles en zegt alles’ gaf Bunau-Varilla zich over aan de ergst denkbare schending van elementaire journalistieke regels, alles om de oplage te verhogen. En dat had succes. Tijdens de Eerste Wereldoorlog verkocht hij een miljoen kranten per dag en Le Matin was daarmee het grootste dagblad van Frankrijk. Pinsolle geeft talloze voorbeelden van de werkwijze van Bunau-Varilla: een inbraak bij een minister om compromitterende informatie te stelen over zijn minnares, de campagne tegen de Belgische koning Leopold II vanwege de aandelen van het bedrijf dat de spoorwegen in Congo exploiteerde (Bunau-Varilla was ook aandeelhouder) en het meest bizarre verhaal gaat over het vermeende medicijn Le Synthol. Bunau-Varilla had dit goedje van alcohol en chloor zelf ontwikkeld en wist de Franse minister van Buitenlandse Zaken Raymond Poincaré zo ver te krijgen het product tot inzet te maken van de Duits-Franse handelsbetrekkingen. Of om het wat duidelijker te zeggen: hij probeerde via politieke invloed dit goedje te verkopen onder het valse voorwendsel dat het een medicinale kracht had.
En alsof dit allemaal nog niet schandalig genoeg was, besloot Bunau-Varilla zich in de jaren dertig te associëren met allerlei fascistische bewegingen. Geheel in die lijn collaboreerde Le Matin meteen vanaf de bezetting in 1940 met de nazi’s en bleef dat doen totdat de krant in 1944 het loodje legde, een paar dagen nadat Bunau-Varilla zijn laatste adem had uitgeblazen.

Dominique Pinsolle heeft niet alleen een zeer onderhoudend boek geschreven, hij maakt ook duidelijk dat Le Matin een sleutelpositie in de vernieuwing van de Franse journalistiek heeft gespeeld. De hoofdredacteur was corrupt, talloze mensen zijn door deze krant op zeer onheuse wijze behandeld, niet in de laatste plaats door de dubieuze politieke lijn die de krant volgde. Maar evenzeer is waar dat Le Matin wat in Frankrijk de ‘grande presse’ wordt genoemd transformeerde naar de ‘petite presse’, een type journalistiek dat het nieuws van de straat haalde en niet zozeer uit verheven politieke opvattingen. De bekende reisjournalist Albert Londres maakte voor Le Matin grote reportages, fotografen werden op het nieuws afgestuurd en door onderwerpen te coveren die de eenvoudige man interesseerden werd in korte tijd een massapers uit de grond gestampt. De krant was vanzelfsprekend in het Frans maar het is verder niet overdreven te concluderen dat Le Matin een op Amerikaanse leest geschoeide krant was. Temeer – Pinsole schrijft er ook over – daar de oorspronkelijke eigenaars contact hadden met James Gordon Bennett van de New York Herald. Gordon Bennett had met zijn krant al aangetoond dat met lef om de elite tegen te spreken veel geld te verdienen valt.

– – –
Dominique Pinsolle, Le Matin (1884-1944) Une presse d’argent et de chantage. Voorwoord van Christian Delporte. Presses Universitaires de Rennes, ISBN 978-2-7535-1735-6, 354 blz., €20,-.

Reageer

Geef een reactie

*