Knip en plakwerk in de journalistiek en muziek

Quint Kik is onderzoeker bij het Stimuleringsfonds en verwoed muziekliefhebber. Om niet geheel te verdrinken in de cijfers van zijn huidige onderzoek naar de waakhond in de regio, blogt hij in zijn vrije tijd wekelijks over ‘lofzangen’ op de pers. Deze week: Knip en plakwerk in de journalistiek en muziek.

Naast de nieuwsmedia van uitgevers en omroepen onderscheiden we in het vorig jaar gepresenteerde onderzoek naar het nieuwsaanbod in de regio ook nog ‘zelfstandige journalistieke initiatieven’. Dit zijn nieuwsmedia die onafhankelijk van bovengenoemde traditionele aanbieders opereren en veelal online te vinden zijn.

Deze zelfstandige initiatieven vallen in drieen uiteen. Om te beginnen zijn er de aggregatiesites, die veelal volautomatisch nieuws doorplaatsen van andere media. Vervolgens zijn er sites die wij in ons onderzoek ‘selectiesites’ doopten: online kanalen waarvoor gericht nieuws en informatie over een gemeente of regio ‘geselecteerd’ wordt en die in meerdere of mindere mate ook eigen content toevoegen aan het deels gekopieerde nieuws. Een voorbeeld daarvan zijn 112-sites. Tenslotte zijn er ‘echte’ nieuwssites.

Hyperlocal als alternatief

De term selectiesites diende vooral om het kaf van het koren te scheiden en om uiteindelijk te komen tot een overzicht van nieuwssites die geheel bestaan uit zelf geschreven nieuws: de zogenaamde hyperlocals die een alternatief kunnen zijn voor het nieuwsmedia-aanbod in die gemeenten waar dagblad en omroep zich nog maar weinig laten zien. 

Voor het vervolgonderzoek naar de inhoud van online nieuwsmedia waarvan we op 3 september de resultaten presenteren, kijken we nog een keer kritisch naar het hier aangetroffen nieuws: zijn het hoofdzakelijk originele berichten of is nagenoeg alles gekopieerd van andere sites? Dan zal duidelijk worden welke selectie- en nieuwssites in ruim 80 onderzochte gemeenten ‘het vagevuur’ hebben weten te doorstaan.

Wie zit er achter hyperlocals?

Selectiesites, nieuwssites, hyperlocals of hoe je ze ook noemen wil: pas echt interessant is de vraag wie er nu precies achter die op zichzelf staande journalistieke initiatieven zitten. Bij het uitpluizen van de colofons kwamen we tot de ontdekking dat hier een keur aan identiteiten achter schuil kan gaan.

Van gepensioneerde journalisten die ooit in dienst waren bij een dagblad, via betrokken burgers en hobbyfotografen tot IT- en communicatiebedrijven die een nieuwssite bouwen om te fungeren als online uithangbord voor hun onderneming. Een discussie ontspon zich rond de vraag of we er verstandig aan deden hen enigszins schamperend ‘burgerjournalisten’ te noemen. Zijn het überhaupt wel journalisten? In het verlengde hiervan ligt de vraag of je een begrip als branded journalism eigenlijk wel journalistiek mag noemen. Eerder deze week hield het Stimuleringsfonds voor de Pers een congres over dit onderwerp.

Journalist als ondernemer

Al bij het aankondigen hiervan betrokken de scherpslijpers direct hun vertrouwde stellingen: nee, dat mag je nooit ofte nimmer journalistiek noemen en het Fonds zou zich hier sowieso niet mee moeten inlaten. Daarmee wordt wel heel makkelijk voorbijgegaan aan het feit dat zowel uitgevers als een groeiend leger van freelance journalisten nieuwe inkomstenbronnen moeten aanboren om in hun voortbestaan te voorzien.

Door de discussie op voorhand af te fakkelen, negeer je een groot probleem; hoe zorg je ervoor dat er straks nog voldoende nieuwskanalen overblijven en er nog betaalde journalisten rondlopen die de moeite nemen om het lokale bestuur te volgen? De journalist van de toekomst ontkomt er niet aan zich meer als ondernemer op te stellen, zoals ook blijkt uit het activiteitenpalet van sommige hyperlocals. Waar branded journalism dan ook mee valt of staat is transparantie. Voor de lezer moet glashelder zijn wie er voor de informatie verantwoordelijk is (lees: wie de auteur ervoor betaald heeft): een onafhankelijk nieuwsmedium of om het even welke partij van buiten. En nee, branded journalism kan onmogelijk onafhankelijk zijn.

Everything is a remix

Ook in de popmuziek is transparantie van tijd tot tijd even zoek. Iedere notencombinatie is al eens gespeeld en plagiaat ligt altijd onbewust op de loer. George Harrison heeft het geweten toen hij een claim aan zijn broek kreeg vanwege de vermeende diefstal van de melodie van The Chiffons’ He’s So Fine voor My Sweet Lord. Hetzelfde overkwam Rod Stewart met Da Ya Think I’m Sexy (afgekeken van Jorge Ben’s Taj Mahal) en iets recenter ook Nirvana, wier Come As You Are hoorbaar beïnvloed is door Eighties van Killing Joke.

In de jaren tachtig daagde yuppie-favoriet Huey Lewis ene Ray Parker Jr voor het gerecht. Parker zou voor diens wereldhit Ghostbusters wel erg ruimhartig hebben ‘geleend’ van Lewis’ I Want a New Drug van amper een half jaar daarvoor. Kwamen Huey en Ray er buiten de rechtszaal uit, tal van royalty-kwesties komen niet eens over de drempel. Het ligt ook niet voor de hand dat dit fenomeen ooit zal worden uitgebannen. "There’s only one song in the world", zei niemand minder dan de opzichtige Chuck Berry-fan Keith Richards ooit. "And Adam and Eve wrote it." Ook een manier om er tegenaan te kijken. Voor Huey is maar een ding echt belangrijk: dat zijn vriendinnetje transparant is over de overlevingskansen van hun relatie (en vooruit, de royalties van Ghostbusters mogen er ook wezen).

Kijk en luister

Te vinden op The Heart of Rock & Roll: the Best of Huey Lewis and The News.

Reageer

Geef een reactie

*