Meer vinger aan de pols bij gesubsidieerde projecten’

14601600460.jpg

Vincent Kouwenhoven maakte in september de stap van bestuurslid naar voorzitter van het Stimuleringsfonds voor de Pers. Op het eerste gezicht lijkt zijn aanstelling tegenstrijdig: een marktdenker en venture capitalist die gelooft in subsidies voor de perssector. Maar de nood is aan de man, zegt hij. "De druk op de journalistiek is nu zo groot, dat het een collectieve verantwoordelijkheid is een waarborg te creëren dat onafhankelijke journalistiek behouden blijft."

Het is woensdag 4 december. Vincent Kouwenhoven (Delft, 1963) komt aanrijden in een snelle auto. In het dagelijkse leven investeert hij als venture capitalist in nieuwe internetbedrijven met de hoop op rendement via verkoop of beursgang. Maar vandaag staat hij als voorzitter aan het roer van een bestuursvergadering bij het Stimuleringsfonds voor de Pers, waar wordt besloten welke journalistieke projecten subsidie voor innovatie ontvangen.

Kritischer zijn op subsidieverlening

Het is zijn vijfde vergadering als voorzitter van het Fonds. Zijn zienswijze op subsidies is grotendeels in lijn met zijn voorganger Wim Noomen, maar: "Ik vind dat we nog wel kritischer mogen zijn en dat we geen zaken subsidiëren die al op tien plekken elders in de wereld zijn ondernomen. Als dat wel zo is moeten wij zeggen: ga jezelf eerst de lessons learned uit die andere voorbeelden eigen maken en zelfs dan moet je nog met een heel goed verhaal komen waarom we dat in Nederland nog eens opnieuw zouden moeten ‘tweaken’ en proberen. Dat is belangrijk vanuit efficiency- en doelmatigheidsoptiek, niet telkens het wiel zelf proberen uit te vinden. Een Nederlands bedrijf dat een nieuwe e-reader op de markt wil brengen, die inmiddels door Amazon, Sony en anderen gedomineerd wordt, daar heb ik zo mijn bedenkingen bij."

Kouwenhoven trad in 2008 aan bij het Fonds als bestuurslid. Hij was toen parttime als lector ebusiness verbonden aan InHolland en Nyenrode. De voornaamste reden van zijn aanstelling was de behoefte van het bestuur aan iemand met een zware achtergrond in de technologische en economische kant van de digitale wereld. Een wereld waar hij ooit per toeval inrolde. Hij was op de juiste tijd op de juiste plek, vertelt hij. Na zijn promotie bedrijfskunde aan de Erasmus Universiteit, startte hij na een aantal jaren in de consultancy bij het net geprivatiseerde KPN Telecom. "Toen ik daar verantwoordelijk was voor Marketing van datacommunicatie kwam dat ‘rare’ fenomeen internet net om de hoek kijken. Ik viel met mijn neus in de boter door bij zo’n bedrijf aan de wieg en in het hart te staan van de opkomst van internet. Een gouden tijd op een gouden plek."

Na het vertrek van KPN-directeur Ben Verwaayen vertrok ook Kouwenhoven niet lang daarna om enkele jaren als directeur bij KMPG-Nolan Norton bedrijven te adviseren over internetstrategieën. In 2000 startte hij zijn eigen investeringsmaatschappij eVentures en begon zijn carrière als venture capitalist. Zijn bedrijf overleefde het uit elkaar spatten van de internetzeepbel en boekte vooral succes met studentensites. "Studentenbaan.nl, studenten.net, stages.nl en studentenkamers.nl werden samengesmeed tot één krachtige online community die in 2007 werd verkocht aan een beursgenoteerde onderneming." Vier jaar geleden stortte hij zich op venture capital in Afrika, dat nog aan het begin staat van het internettijdperk, met als drijfveer iets bij te dragen aan het terugdringen van de digital divide, de kloof tussen arm en rijk bij het gebruik van digitale technologie.

‘Als je niet innoveert ga je dood’

Begin dit jaar werd hij gevraagd voor een voorzitterschap bij het Fonds. Ondanks drukte, met nevenfuncties als commissaris bij een lokale Rabobank en penningmeester bij ‘De Vrienden van het Koninklijk Concertgebouw en Orkest’, stemde hij toe. De reden daarvoor is zijn grote zorg voor het behoud van onafhankelijke kwalitatieve journalistiek die onderhevig is aan verschraling, vertelt Kouwenhoven. "Je kan heel simpel redeneren dat kranten twintig jaar geleden zich redacties konden veroorloven die 50 procent groter waren. Dat betekent bijvoorbeeld een hogere mate van specialisatie; met economieredacteuren, financieel redacteuren en politiek redacteuren. Je ziet nu dat die ruimte voor specialisatie er steeds minder is – zowel offline als online – en dat één redacteur over een veelheid van onderwerpen gaat. Als jij je kennis, je netwerk en je inzicht op veel meer onderwerpen moet inzetten dan wordt het vanzelf oppervlakkig."

Digitale ontwikkelingen bieden journalisten volgens hem wel enige verlichting, maar niet afdoende. Hetzelfde geldt voor nieuwe vormen als Google News, burgerjournalistiek en big data. "Op zichzelf reuze positieve ontwikkelingen, maar als uitgevers zich geen goed opgeleide journalisten meer kunnen veroorloven, dan treedt er mogelijk een enorme verschraling op van nieuwsgaring en opinievorming. Dat tekent zich al af in de regio, maar zeker ook op landelijk en global niveau."

"Je ziet nu overal een krimp. In de VS zie je dat kranten van soms 200 jaar oud verdwijnen. Voor hen was het gewoon te laat. Te laat geïnnoveerd", zegt Kouwenhoven. "Het is heel simpel, als je niet innoveert ga je dood. Dat is geen keuze. Je moet innoveren omdat je door de technologie wordt ingehaald, maar ook omdat je door sociaal-demografische ontwikkelingen wordt ingehaald. Nieuwsconsumptie in de samenleving gaat gepaard met totale paradigm shifts over wat nieuws is. Jongeren hebben een totaal ander media- en nieuwsconsumptiepatroon dan ouderen."

‘Meer vinger aan de pols bij subsidieprojecten’

Het gaat volgens hem de komende jaren dan ook niet langer om het behoud van de traditionele perssector, maar veel meer om het behoud van hoogwaardige journalistiek voor een goed functionerende democratie. "En dat is iets wat niet volledig aan de markt kan worden overgelaten en waarvoor innovatie essentieel is", aldus Kouwenhoven. "Dit Fonds heeft een paar jaar geleden de keuze gemaakt: ‘wil de journalistiek overleven dan zal zij moeten innoveren.’ Daar ligt een eerste belangrijke parallel tussen mijn dagelijkse werk als venture capitalist en als voorzitter van dit bestuur, namelijk de focus op innovatie."

In de toekomst wil Kouwenhoven dat het Fonds, net als een venture capital-bedrijf, meer vinger aan de pols houdt bij het begeleiden van projecten. "Daar ben ik groot voorstander van en daar verkennen we nu de mogelijkheden voor. Sowieso is de tijd van vrijblijvende subsidies voorbij. Er moet nadrukkelijker gekeken worden naar wat de bijdrage of het resultaat is. De doelmatigheid van onze subsidies kan omhoog. Als je mensen begeleidt ben je ook veel beter in staat om de kennis van voorgaande projecten over te dragen op volgende projecten. Dus het Fonds beraadt zich op het inrichten, of het toevoegen, van nieuwe functies als kenniscentrum voor de journalistiek tot incubator-achtige modellen zoals The Challenge."

Ondanks de overeenkomsten tussen venture capital en persinnovatie merkt hij dat er verschil zit in de investeringen. Waar een venture capitalist vooral uit is op ‘waardegroei’, zijn de projecten van het Fonds momenteel meer gericht op bewustwording, vertelt hij. "Persinnovatie gaat in hele hoge mate om bewustwording. De traditionele perssector, veralgemeniseerbaar naar de journalistiek, heeft het moeilijker dan andere sectoren met innoveren. Enerzijds omdat ze het decennialang heel goed hebben gehad en gewoon traag zijn gebleken in de adoptie van nieuwe technologie. Een zeker conservatisme is de beroepsgroep dan ook niet vreemd. Je wilt niet weten hoeveel journalisten nog steeds niet met Twitter overweg kunnen. Anderzijds is het jarenlang nog niet zó slecht gegaan als nu in de sector waardoor de urgency om snel en rigoureus te innoveren misschien juist wel wat achterblijft."

‘Innovatie komt van nieuwkomers, niet uit de sector’

Kouwenhoven wijst op de Scandinavische uitgever Schibsted als voorbeeld voor een succesvolle internetstrategie. "Al in een vroeg stadium toen de internetimpact zichtbaar werd, besefte dit krantenconcern dat classifieds één van hun core business-competenties betrof, die zich bij uitstek leent voor digitale exploitatie. Zij hebben zwaar in deze markt geïnvesteerd, met Marktplaats.nl-achtige platforms verspreid over heel Europa. Door dat op een goede manier te doen, hebben ze een lucratieve business opgebouwd waarmee ze tevens hun hoogwaardige journalistieke functies binnen de nieuwsbladen-tak overeind kunnen houden."

Toch lijkt Schibsted een van de uitzonderingen die tot dusver succesvol de transitie naar internet maakte. Maar Kouwenhoven denkt niet dat het voor Nederlandse uitgevers te laat is. "Je kunt de sector, mede door hetgeen wij subsidiëren, helpen bij het ontwikkelen van nieuwe formats die renderend kunnen worden. Je moet het blijven proberen. Maar de beste voorstellen van traditionele partijen zijn nog steeds de projecten die uitgevoerd worden samen met nieuwkomers op de markt. Dat is trouwens een bekende wet uit de innovatiewereld: Innovatie komt van nieuwkomers, niet uit de sector."

Interveniëren als overheid in de markt

Kouwenhoven vervolgt: "En omdat de sector moeite heeft met innoveren kan je zeggen: als ze dat niet kunnen laat de markt dan zijn werk doen. Dat is typisch wat je van een venture capitalist verwacht, maar aan de andere kant gaan de kosten bij innovatie per definitie voor de baat uit. De overheid co-financiert innovatie, over de volle breedte, om een deel van die kosten voor rekening te nemen. En als er nu één missie voor mij is de komende vijf jaar, dan hoop ik dat we de functie van de journalistiek in deze snel veranderde markt met een beetje overheidsgeld kunnen waarborgen. Nadrukkelijk niet als een onderdeel van een bredere cultuur- of innovatie-agenda, maar juist vanwege het grote belang van onafhankelijkheid, middels een separaat fonds, zoals het Stimuleringsfonds ook is gepositioneerd."

"En de eerste de beste tegenstander die mij wil uitleggen dat dit voor rekening van de markt is, pareer ik graag door te zeggen: ‘Oké, bewijs dan maar eens dat die functie van onafhankelijke kwalitatief hoogwaardige journalistiek in de democratie evengoed kan worden ingevuld door burgerplatformen of hyperlokale journalisten die het veelal na een aantal jaar voor gezien houden wegens een gebrek aan inkomsten. Ik ben beroepsmatig wellicht een marktdenker pur sang, die tóch zegt dat de druk op de journalistiek nu zo groot is, dat het een collectieve functie is voor de democratie om een waarborg te creëren dat de journalistiek behouden blijft."

Deel dit artikel:

Reageer