‘Politieke belangstelling voor perssector te gering’

12975600460.jpg

Tien jaar lang stond hij als voorzitter aan het roer van het Stimuleringsfonds voor de Pers. Een bewogen decennium waarin het Fonds van naam veranderde en startte met het stimuleren van innovatie in de dagbladpers. Tijdens een terugblik betreurt Wim Noomen de geringe politieke belangstelling voor de perssector. "Het staat of valt met de belangstelling van de politiek voor het grote goed van de vrijheid van meningsuiting en die mis ik."

Door: Bas Bareman

Op 3 september neemt Wim Noomen (71) afscheid als bestuursvoorzitter van het Stimuleringsfonds voor de Pers. Op diezelfde dag presenteert het Fonds drie onderzoeken naar de nieuwsvoorziening in de regio.

De mogelijke verschraling van de lokale journalistiek is al sinds 2004 een zorg van het Fonds. Toch lijkt de interesse bij de politiek voor de ernst van situatie te ontbreken, zegt Noomen.

Noomen: “Ik denk dat het samenhangt met een afwezigheid van belangstelling voor de principiële kant van journalistiek in de samenleving. Er moet bij wijze van spreken eerst een drama of ongeluk gebeuren, een burgemeester die zo´n enorme scheve schaats rijdt, wat ongepasseerd kon gebeuren omdat er geen krant of geen radio of televisie in de buurt was. Het staat of valt met de belangstelling van de politiek voor de het grote goed van de vrijheid van meningsuiting en die mis ik.”

Het redden van De Tijd

Gerrit Willem Noomen komt samen met zijn tweelingzus op 27 september 1942 ter wereld in Alphen aan den Rijn. De familie met in totaal zes kinderen verhuist vlak na de oorlog naar Amsterdam-West, waar zijn vader penningmeester wordt van de Grafische Bond CNV. Hij komt uit een ´goed gereformeerd gezin´ met het accent op hard werken, sober leven en wat je hebt, proberen te delen met anderen die het harder nodig hebben.

Als tiener is hij heilig van plan theologie te gaan studeren. Spreken in een grote kerk met een mooie kansel en fonkelend kerkorgel spreken hem aan tot hij beseft dat het leven als jonge pastor ook het bezoeken en begraven van oude en zieke mensen inhoudt. Zijn keuze voor de studie politicologie komt uiteindelijk tijdens militaire dienst na het lezen van een artikel in dagblad Trouw van Gijs Kuijpers, hoogleraar Politicologie aan de Vrije Universiteit Amsterdam (VU).

Noomen: “’Een politicoloog moet iets van een veldheer hebben’ stond er. Dat sprak mij als aanstaand reserveofficier zeer aan. Een algemeen overzicht over de problemen van staat en maatschappij.” Een andere stimulans vormt de opvatting van diezelfde Kuijpers dat de politiek gaat om ‘vormgeven aan de toekomst van de samenleving’. Het zijn drijfveren die ervoor zorgen dat hij na zijn studie het dagelijkse wetenschappelijke werk combineert met bestuurlijke functies.

In zijn baan als wetenschappelijke medewerker bij de VU onderzoekt hij in 1971 samen met Jan van Cuilenburg nieuwe mogelijkheden voor het noodlijdende katholieke dagblad De Tijd. “Het onderzoek was interessant omdat je een blikje in de keuken van zo’n krant werd gegund”, vertelt Noomen. Tot grote ergernis van de redacteuren die niet zaten te wachten op vragen van de twee pottenkijkers.

Noomen (lachend): “We vroegen: ‘houdt u nou rekening met uw lezers?’ Dan begonnen ze hard te lachen en zeiden ze ‘Nee, wij schrijven voor onze collega’s. Als die het goed vinden dan hebben we een goed artikel’.” Het resultaat van het onderzoek werd volgens hem mooi samengevat in VU Magazine onder de kop ‘De Tijd kan koers verleggen, mits op tijd bezorgd’. Een paar jaar later gaat het dagblad ten onder, maar voor Noomen vormt het onderzoek de basis voor zijn promotie in 1977.

Behoud van onafhankelijke dagbladpers

Het onderzoek legt de kiem voor zijn interesse in de dagbladsector. In 2003 wordt hij benaderd door Lou Lichtenberg, toenmalig directeur van het – toen nog – Bedrijfsfonds voor de Pers, voor het voorzitterschap bij het Fonds. Noomen weigert aanvankelijk vanwege de werkdruk aan de VU, waar hij inmiddels bestuursvoorzitter is, maar laat zich uiteindelijk vermurwen. “Ik was en ben overtuigd van het grote goed van de vrijheid van meningsuiting waaraan de journalistiek voortdurend een belangrijke bijdrage levert”, vertelt Noomen over zijn motieven. “Het behoud van een onafhankelijke pluriforme dagbladpers vond ik en vind ik essentieel voor een goed functionerende samenleving.”

Tot die tijd had het Fonds één nadrukkelijke taak: het handhaven en bevorderen van de pluriformiteit van de pers. Die stond al sinds eind jaren zestig onder druk stond, vertelt Noomen. Hij refereert daarbij aan Maarten Rooij, oud-hoofdredacteur van NRC, die in 1972 als voorzitter van een ingestelde commissie mede pleitte voor de oprichting van een Bedrijfsfonds voor de Pers.

Na Noomens aanstelling rijst in 2004 de vraag welke rol het Fonds kan spelen bij het vinden van oplossingen voor de afnemende abonnee-aantallen, dalende advertentie-inkomsten en de komst van internet. In een adviesrapport aan het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap verzoekt het Fonds om een bredere taakstelling waarbij de aandacht verschuift van financieren naar faciliteren. Het leidt tot een naamsverandering in 2007 naar Stimuleringsfonds voor de Pers.

In 2010 stelt toenmalig minister Plasterk acht miljoen extra subsidie beschikbaar voor persinnovatie. Aanvankelijk was Plasterk niet overtuigd van het nut daarvan en wilde hij innovatie aan de markt overlaten, vertelt Noomen. Pas nadat het Fonds aandrong op het instellen van een commissie die problemen in de perssector zou moeten onderzoeken, kwam er in 2010 een subsidieregeling voor persinnovatie.

Innovatie: structuur volgt cultuur

Inmiddels heeft het Fonds in vier jaar tijd 71 innovatieprojecten meegefinancierd. Is de dagbladindustrie volgens hem veranderd in die periode? Hoewel innovatie moeilijk lijkt te meten, denkt Noomen dat er steeds meer bewustzijn en aandacht is gekomen voor nieuwe mogelijkheden met print en digitale producten. “Het gaat steeds minder om het dagblad dan om het merk. Dat kan je met veel meer instrumenten in de markt zetten. De vorm is aan ontwikkeling onderhevig. Zoals Nico Drok het onlangs in een interview zei: ´Journalistiek is een gerecht dat met steeds ander bestek wordt opgediend.´”

Wel merkt hij op dat de ontwikkelingen langzamer gaan dan hij zou willen. Dat komt mede door de opstelling van spelers in de sector die redelijk passief zijn gebleven om gebruik te maken van nieuwe mogelijkheden. “Dat is een kwestie van cultuur. Dat merkte ik ook binnen universiteiten. Als je nieuwe dingen wilde ontwikkelen, dan was er de neiging om eerst een nieuwe structuur te ontwikkelen. Maar pas later na wat mislukkingen kwam ik erachter dat structuur cultuur volgt. En niet andersom. Als ik als traditionele dagbladuitgever een internetproductie wil realiseren, dan moet ik daar niet alleen een ander instrumentarium voor hanteren, maar dan heb ik ook te maken met een aantal mensen dat zich in die cultuur moet thuisvinden.

“De moeite, in zowel Nederland als in het buitenland,” vervolgt hij, “die er is om een traditionele newsroom te laten samenwerken met een internetnewsroom spreekt boekdelen. Dat zijn nog twee verschillende culturen. En dat heeft gewoon zijn tijd nodig.” Wel kan hij moeilijk verkroppen dat het nog steeds niet mogelijk is om bijvoorbeeld losse katernen te kopen. “Voor het snelle nieuws kan je alle mogelijkheden benutten die het internet biedt, maar zeg als uitgever: ‘Internetgebruiker, als je interesse hebt in de ontwikkelingen van, bijvoorbeeld, het kubisme op Urk, neem dan katern nummer 3 van mijn dagblad op zaterdag. Daarin kan je er alles over lezen.”

Van cultureel product naar economisch goed

De mogelijkheden voor ontbundeling van content zijn er volgens hem allemaal. De terughoudendheid om te innoveren houdt volgens Noomen dan ook verband met een andere wijze van denken die zich in de loop van de tijd heeft ontwikkeld. “Het is steeds meer gegaan om de krant of journalistiek als economisch goed. En minder als cultureel product. Dat is het verschil tussen de huidige uitgevers en de vroegere courantiers. Die zeiden: misschien levert het niet echt veel geld op, maar het is wel nuttig om die koers te gaan. Maar als tegenwoordig iets geen geld oplevert dan houdt het op.”

Aandeelhouderswaarde speelt daarin een grote rol. De uitgever die aandeelhouders tevreden moet stellen. “Ik herinner me een bezoek in Chicago waar één van de kranten werd overgenomen en waarbij de oorspronkelijke eigenaar zei: ‘Ik wil dat mijn krant 25 procent winst maakt. Dat bleek uiteindelijk 20 procent en dat was onvoldoende. Ik denk dat het deel uitmaakt van het neoliberale denken dat zich dwars door onze samenleving heeft ingevreten. Focus op steeds meer geld verdienen, zonder de vraag te stellen ‘waartoé willen we dat geld verdienen?’ Wil je veel geld verdienen om opnieuw te investeren of is veel geld verdienen interessant om er zelf veel aan over te houden en om aan aandeelhouders te geven?”

Het ontbreekt volgens hem ook aan tijd voor reflectie: ‘Wat zijn we nu met elkaar aan het doen?’ De politiek kan hier een rol in spelen, maar ook daar ziet hij het neoliberalisme de kop opsteken. “Wanneer de huidige staatssecretaris zegt: ´Die kranten zouden toch zelf moeten betalen wat jullie subsidiëren?’. Dat mag je als VVD-er of als privépersoon zeggen, maar niet als staatssecretaris die verantwoordelijk is voor het persbeleid.”

Volgens Noomen kom je als overheid als snel in deze positie terecht wanneer je er niet in slaagt journalistieke uitingen als cultureel product te onderscheiden en uitsluitend koerst met het oog op een economische doelstelling. “Dat is het interessante van de situatie in Nederland. Je hebt te maken met privaatrechtelijk georganiseerde uitgeverijen die een publieke functie hebben. En juist vanwege die publieke functie is er een zorgplicht voor de overheid. Maar dat is een principieel verhaal dat steeds minder aanslaat.”

Laatste noodkreet

Die tendens is sterker zichtbaar geworden sinds Rutte 1. “Het is nog steeds opvallend dat er wel een persbrief was van Plasterk, maar dat er onder Van Bijsterveld en nu onder Dekker geen manifeste belangstelling is voor persbeleid als onderdeel van het mediabeleid. Dat vind ik jammer, temeer omdat wij hebben aangeboden onze bijdrage te leveren aan de verkenningen die hij wil doen, maar dat daar eenvoudigweg geen gebruik van wordt gemaakt. Het hoeft niet, maar het zegt wel iets over het type belangstelling dat er is. Of beter gezegd: niet is.”

Noomen slaakt een laatste noodkreet. “Het is heel eenvoudig: een volk zonder visie gaat ten onder. En als je in een samenleving een visie wilt laten zien, dan kan dat niet zonder journalistiek. Ik bedoel, een kabinet kan met een prachtige nota komen maar die zal toch doorgegeven moeten worden door journalisten en ook van commentaar moeten worden voorzien. Communicatie en informatie is het cement van een samenleving. En waar die communicatie of informatie gaat ontbreken heeft dat mogelijk negatieve gevolgen voor die samenleving. En zoals het er nu uitziet zal dat zich het eerst gaan aftekenen in de regio.”

Over twee weken komt zijn voorzitterschap officieel ten einde en wordt hij opgevolgd door Vincent Kouwenhoven. Ook zijn meeste andere nevenfuncties lopen dit jaar af. Na een leven lang hard werken krijgt Noomen binnenkort volop vrije tijd, die hij aan zijn kleinkinderen en achtergestelde hobby´s wil besteden. “Dat zal variëren van het ophalen van Latijn, Grieks en Frans tot het bestuderen van zware theologische vraagstukken. Maar ik zit zo in elkaar, en niemand heeft dat ooit willen geloven?”, vertelt hij plots samenzweerderig naar de interviewer toebuigend. “Maar eigenlijk ben ik in de grond van de zaak aarts- en aartslui. En, ik kan me altijd overal mee vermaken, dus niemand hoeft in te zitten over een man die in een groot zwart valt.”

De afscheidsreceptie van Wim Noomen vindt plaats op 3 september.

Deel dit artikel:

Reageer