Vier jaar Persinnovatie: ‘Sector nog op zoek’

Het Stimuleringsfonds voor de Pers heeft als één van haar doelen om innovatie in de journalistiek te versterken. Onderdeel daarvan is het toekennen van subsidie aan projecten die innovatie binnen de perssector teweeg willen brengen. Sinds 2010 heeft het Fonds aan 63 van dat soort projecten subsidie verleend. Dat is een aardig getal, maar wat voor vlees hebben we in de kuip?

Door: Sean van der Steen

De Persinnovatieregeling van het Stimuleringsfonds voor de Pers is sinds 2010 van kracht. Sindsdien zijn er 263 subsidieaanvragen ingediend, waarvan er 63 werden goedgekeurd. Onderzoeksbureau Dialogic deed in opdracht van het Fonds een quick scan (pdf) van deze projecten, om een duidelijker beeld te krijgen van de knelpunten en thema’s voor innovatie.

“Innovatie in de perssector wordt in toenemende mate gedreven door het besef dat de huidige modellen snel hun levenseinde naderen. Uit het onderzoek blijkt echter dat de sector nog op zoek is, maar ook dat die sector dikwijls zelf niet de regie heeft. Innovatie binnen de pers is over het algemeen volgend, niet sturend. Er is nieuwe technologie en de inspanningen lijken er vooral op gericht om die te adopteren, maar dan vooral en voor zover dat past binnen de bekende structuren”, zegt René van Zanten, algemeen directeur van het Fonds.

Achtergronden en redenen van aanvragen

Uit de quick scan blijkt dat het aantal partners per voorstel gering is. En dat, terwijl een les van innovatie is, dat projecten veel meer kans van slagen hebben als bij zo’n project partners van buiten worden betrokken. Zo’n driekwart van de gesubsidieerde projecten heeft – naast de aanvrager – geen projectpartners. Die aanvragers zijn veelal afkomstig uit de perssector zelf; bijvoorbeeld dagbladen, uitgevers en journalisten. Ook vanuit enkele internetbedrijven, die bijvoorbeeld een nieuwe online dienst in de markt willen zetten, komen aanvragen binnen.

Iedere aanvrager heeft uiteraard een andere reden om een aanvraag te doen bij de Persinnovatieregeling, maar er zijn wel redenen die vaker terugkomen dan andere. De meest genoemde redenen zijn:

1. een dalende omzet;
2. de organisatie maakt onvoldoende gebruik van technologische mogelijkheden;
3. de journalist heeft onvoldoende kennis en vaardigheden;
4. nieuws en nieuwskanalen zijn steeds slechter afgestemd op doelgroepen;
5. journalistieke formats kwijnen weg.

Soort innovaties

Waar projecten in de eerste subsidierondes eerder gericht waren op journalistieke innovaties, zijn projecten in de latere rondes meer gericht op technologische innovaties. Mogelijk komt dat doordat er meer nadruk is ontstaan op de ‘verkoop’ in plaats van de ‘productie’. Veel bestaande en nieuwe diensten of producten kunnen, zo redeneren de aanvragers, via het internet of de mobiele telefoon worden ontsloten. Nieuwe concepten ontstaan zo door het ‘oude’ nieuws op een ‘nieuwe’ manier te produceren. In de toekomst zou het Fonds bij het beoordelen van projecten de balans tussen de journalistieke innovaties en de technologische innovaties in de gaten moeten houden.

Wat daarnaast opvalt, is dat de gesubsidieerde projecten meer aanbod- dan vraaggericht werken. Het is niet altijd duidelijk wat de wensen en verwachtingen van de doelgroep zijn; soms hebben aanvragers onvoldoende onderbouwde aannames over de doelgroep. Het lijkt, of het aanbieden van een nieuw product of een nieuwe dienst voor aanvragers een belangrijker doel is dan de vraag voor wie dat product is bedoeld. Ook hier zou cross-sectorale vernieuwing – in hoeverre de perssector innovaties uit andere sectoren oppakt en doorvoert – een uitkomst kunnen bieden, maar nu gebeurt dat nog te weinig.

De belangrijkste doelgroep van de projecten zijn lezers en journalisten, daarna de uitgevers. Vaak zijn jongeren een aparte en populaire doelgroep. Deze speciale aandacht krijgen zij omdat een deel van de aanvragers aanneemt dat jongeren steeds minder kritisch consument zijn van de journalistiek. Ook zouden jongeren intensief gebruik maken van de technologieën die de aanvragers willen gaan gebruiken om hun product in de markt te zetten. Mogelijk zouden de eindgebruikers betrokken kunnen worden bij het oordelen over subsidieaanvragen, aldus de auteurs.

Perssector onder de indruk van eigen innovaties

De perssector is zelf vaak onder de indruk van haar eigen innovaties, maar van buitenaf gezien gaat het vaak om kleine stapjes. Dat wil echter niet zeggen dat de vernieuwingen geen nut hebben. Sterker nog, vanuit de sector gezien gaat het vaak om vrij radicale innovaties. Al met al lijkt het erop dat de sector innovaties relatief laat toepast: de kat uit de boom kijken is populair. Partijen van buiten de perssector zouden wederom hulp kunnen bieden, denken de auteurs: “Eén van de factoren voor succesvolle innovaties is samenwerking tussen ‘onverwachte’ combinaties van partijen.”

In de toekomst gaat het Fonds meer naar die ‘onverwachte combinaties’ kijken, vertelt Rick van Dijk, operationeel directeur van het Fonds. “Het rapport is voor ons een van de aanleidingen geweest om de persinnovatieregeling voor 2013 aan te scherpen. We vragen de indieners expliciet in te gaan op de haalbaarheid van de projecten, met aandacht voor de te bereiken doelgroep, verdienmodellen en de voortzetting van het project na de subsidieperiode. Dit onderdeel weegt nu zwaarder in de beoordeling van de projecten, naast de journalistieke en innovatieve component. Verder roepen we aanvragers op om met partners een aanvraag in te dienen, omdat de ervaring leert dat innovatie wordt begunstigd door samenwerking, vooral met partijen van buiten je eigen sector.”

Het Stimuleringsfonds voor de Pers heeft op 1 maart 2013 de nieuwe Persinnovatieregeling opengesteld voor aanvragen.

Bekijk conclusies en infographics uit het rapport

Lees het rapport

Reageer

Geef een reactie

*