Waarom hebben journalisten het zo moeilijk met kritiek?

Journalist Stijn Debrouwere stelt een canon samen van de beste Amerikaanse verhalen over journalistieke vernieuwingen. Deze week, deel 12: Journalist Scott Rosenberg beschrijft en analyseert de moeite die sommige journalisten hebben met openbare kritiek op hun werk. "Van alle vakmensen verwacht je net dat het de journalisten zijn die kunnen incasseren wat ze zelf zo gretig uitdelen."

Hoe vaak hoor je niet dat een journalist de lezersreacties op de website niet durft na te kijken uit vrees in een discussie verzeild te geraken? Wie denken die lezers eigenlijk wel dat ze zijn? Zo’n houding kan echt niet langer.

Een goede journalist praat met zijn lezers, geeft fouten toe en kan tegen een stootje, zo vertelt Scott Rosenberg in dit opiniestuk uit 2010. Hij is momenteel hoofdredacteur van grist.org en richtte in 2009 mediabugs.org op, een correctieplatform waar lezers fouten in nieuwsartikels kunnen aangeven, en redacteuren ze kunnen rechtzetten.

Lees: Waarom hebben journalisten het zo moeilijk met kritiek?

Waarom is omgaan met kritiek van je lezers zo moeilijk voor veel journalisten? Als artiest weet je dat er altijd critici paraat staan om je te vloeren. Als atleet ontwikkel je snel een olifantenhuid. Als politicus verwacht je geen medelijden van commentatoren en, sinds kort, van bloggers. Als zakenman kan de markt je op elk moment straffen.

Mettertijd leren al deze vakmannen hoe met kritiek om te gaan. In de journalistiek daarentegen worden we keer op keer getrakteerd op een triest spektakel: gedistingeerde reporters die uit het lood schieten wanneer hun werk publiek wordt aangevallen ? en net zo met columnisten die sneren naar de vaak ongemodereerde feedback die ze krijgen van lezers onderaan de pagina.

Clark Hoyt nam onlangs afscheid als public editor van de New York Times (ook wel gekend als ombudsman), en publiceerde voor de gelegenheid een afscheidscursiefje waarin hij omschrijft hoe journalisten van de Times zich voelen bij zijn werk. Het hele ombudsproces waarbij iemand kritiek kan uiten over de krant, in diezelfde krant, is voor hen ontmoedigend en vervreemdend. Journalisten zien zichzelf gewoonlijk, en met recht, als waakhonden die hoge ambtenaren, zakenleiders en andere publieke figuren het vuur aan de schenen leggen om iedereen eerlijk te houden en ter verantwoording te roepen. Maar verbazend genoeg vinden heel wat journalisten het nog altijd moeilijk om te accepteren dat ze zelf soms verantwoording moeten afleggen.

Eén passage in de column van Hoyt vond ik bijzonder inzichtelijk als kijk op de psyche van de werkende journalist in onze tijd:

Journalisten van de Times zijn verbazingwekkend eerlijk, zelfs wanneer men hen pijnlijke vragen stelt die ze liever zouden vermijden. Natuurlijk houden journalisten er niet van om publiekelijk aan de schandpaal genageld te worden, niemand houdt daarvan. Eén schrijver, geschokt door één van mijn besluiten vertelde me: als je dat zegt, dan moet ik mezelf van kant maken. Ik zei, nee, dat hoef je niet. Nou, zei de schrijver, ik zal in het ziekenhuis belanden. Ik schreef wat ik gepland had te schrijven en niemands gezondheid was ooit in gevaar.

“Als je dat zegt, dan moet ik mezelf van kant maken”? Zelfs als grap suggereert dat zinnetje een overgevoeligheid die absoluut ongepast is voor een publiek figuur. “Natuurlijk houden journalisten er niet van om publiekelijk aan de schandpaal genageld te worden”, zegt Hoyt. Maar journalisten bekritiseren zo vaak andere mensen dat het onvermijdelijk is dat ze af en toe eens een stoot terug krijgen. Van alle vakmensen verwacht je net dat het de journalisten zijn die kunnen incasseren wat ze zelf zo gretig uitdelen.

Ik zou durven zeggen dat de moeite die Amerikaanse journalisten hebben met het luisteren naar, of reageren op, kritiek zijn oorsprong vindt in de pathologische geschiedenis van zelfontkenning die ons beroep kenmerkt. We zeggen “missen is menselijk”, toch? Maar journalisten werken vaak in een institutionele cultuur die hen zegt “Wees onmenselijk”, hou er geen sterke meningen op na ? en hoe dan ook, hou je mening in godsnaam voor jezelf. Neem geen deel aan protesten en hou geen pleidooien. Stem niet; of, als je wel stemt, vertel dan niemand voor wie je stemde.

Journalisten, als brave soldaten, worden in die cultuur ondergedompeld en accepteren het. Ze steken hun eigen individualiteit en perspectieven in de koelkast. Hun eigen werk wordt deel van de redactionele “wij”, en ze leren om naar zichzelf te verwijzen als “deze reporter” eerder dan met een persoonlijk voornaamwoord. Als iets misgaat met dat systeem, waar jij deel van uitmaakt, wanneer het kleine stukje journalistiek dat jij toevoegt aan dat collectieve bouwwerk wordt aangevallen omwille van één of andere fout, dan kan je rekenen op het bouwwerk om je te beschermen.

Dat geldt niet langer. Redelijke kritiek op nieuwsberichtgeving kan nu net zo makkelijk online worden geplaatst als het originele bericht, en mensen verwachten een reactie van de publicatie in kwestie. Heel wat redacteuren vinden deze nieuwe vorm van verantwoording erg zinnig. Dus journalistieke instellingen stellen zich daar beetje bij beetje voor open.

Maar heel wat individuele journalisten weten niet te doen als hen gevraagd wordt een vergissing te verklaren, keuzes te verdedigen en in discussie te treden met hun lezers en critici. Niks in hun professionele leven heeft hen hierop voorbereid. Sterker nog, vaak leerde hun professionele training hen dat al dit gedoe gevaarlijk, onprofessioneel, slecht was. Ze groeiden op met het idee ? en denken soms nog steeds ? dat de professionele manier om te reageren op publieke kritiek erin bestaat om (a) niet te antwoorden; (b) te antwoorden met “geen commentaar ? wij staan achter onze berichtgeving”; of als het er écht slecht uitziet (c) je chef woordvoerder te laten spelen.

Het resultaat is jammer genoeg dat de typische blogger meer ervaring heeft, beter weet hoe je moet omgaan met kritiek ? redelijk en beleefd antwoorden, geen olie op het vuur gooien en de trolls onder controle houden ? dan de journalisten op gelijk welke redactie. Dat is volgens mij waarom we regelmatig zulke ‘freakouts’ zien als bij die van James Risen van de New York Times een tijd geleden (waarvoor hij zich nadien snel excuseerde).

Het syndroom dat ik omschrijf is, natuurlijk, een overblijfsel van een vorig tijdperk. De meeste jonge journalisten die vandaag aan de slag gaan, hebben een heel andere houding tegenover hun lezers en tegenover hun eigen werk. En de oudere generatie, waar ik deel van uitmaak, kent ook heel wat mensen die hebben leren omgaan met de nieuwe realiteit, mensen die niet overstuur raken, maar overleven als het eens stormt.

Maar elke redactie heeft een paar tikkende tijdbommen, mensen die ontploffen in een uitbarsting van onoverdacht gescheld bij de kleinste provocatie. Wanneer dat gebeurt moeten we daar misschien wat begrip voor proberen opbrengen. De volgende keer dat je een ancien ziet koken van binnen omdat ‘ie zijn werk moet verdedigen of bespreken, denk dan: wat ik zie is geen onbeleefdheid of dwaasheid, maar een gebrek aan ervaring.

Auteur: Scott Rosenberg
Bron: Why can’t journalists handle public criticism?
Vertaald: Stijn Debrouwere

Stijn Debrouwere is journalist/developer en schrijft op zijn blog over de toekomst van de journalistiek. Hij is momenteel bij het Britse dagblad The Guardian aangesteld als Knight-Mozilla fellow, waarbij hij tien maanden lang samen met de redactie werkt aan nieuwe vormen van journalistiek.

Lees ook uit de canon

Reageer

Geef een reactie

*