Waarom wetenschapsnieuws zo vaak onzin is, en wat we daaraan kunnen doen

‘Meer appen leidt tot beter spellen’, dat zou de kop worden van het derde artikel dat ik tijdens mijn stage op de wetenschapsredactie van de Volkskrant schreef. Totdat ik een tweede onafhankelijke expert vroeg wat hij van dit promotieonderzoek vond. Hij schoot het ene na het andere gat in het onderzoek.

Het is maar één voorbeeld van wetenschapsnieuws waar weinig van overblijft na een grondige check. De Volkskrant somde eind 2017 de grootste missers van dat jaar op: zo zouden baby’s die met de handjes eten (in plaats van bestek) slanker zijn, zou klaarkomen helpen tegen prostaatkanker en een kerkbezoek net zo’n ‘high’ geven als seks. Koppen die, na enig onderzoek, stuk voor stuk onjuist bleken.

Niet zelden halen ‘opgeblazen’ resultaten de media: leuke, interessante en grappige bevindingen die het goed doen bij de lezer, maar niet per se kloppen. Wetenschapsjournalisten maken hierin vaak andere keuzes dan andere journalisten, zegt Alexander Pleijter, universitair docent Journalistiek in Leiden en coördinator van factchecksite Nieuwscheckers. ‘De eerste groep heeft kennis van zaken, serieuze belangstelling voor onderzoek en de intentie om het publiek zo goed mogelijk te informeren over ontwikkelingen in de wetenschap. Maar er zijn ook journalisten die over wetenschap publiceren met een andere intentie: ‘een leuk item maken’ of ‘grappige berichten’ schrijven.’

De lezer heeft er weinig aan om de ene dag te horen dat je door koffie 100 jaar oud wordt, terwijl het de volgende dag dodelijk is. Het is bovendien de taak van de journalist om zin van onzin te scheiden. Maar hoe prik je door geinige, opgeklopte ‘onderzoeksresultaten’ heen?  Drie tips.

Bewust van andermans belangen

Ten eerste: wees je ervan bewust dat er bij een onderzoek vaak partijen betrokken zijn die er belang bij hebben om het een en ander aan te dikken. Zo benadrukken wetenschappers soms spraakmakende resultaten om sneller in een vaktijdschrift terecht te komen. Een samenvatting is daardoor soms een bron van onvolledige, overdreven informatie of sluit helemaal niet aan bij het onderzoek.

Ook persvoorlichters doen er graag een schepje bovenop. Zo blijkt uit Brits onderzoek uit 2014 dat de inhoud van 40 procent van de persberichten overdreven is. Persvoorlichters doen bijvoorbeeld onterechte causale claims (onjuiste oorzaak-gevolgrelaties) of generaliseren de resultaten. Bijvoorbeeld door menselijke toepassingen op basis van een dierenstudie te suggereren, terwijl veelbelovend onderzoek bij muizen zelden leidt tot een goed medicijn voor mensen. Uit vergelijkbaar Nederlands onderzoek (2018) blijkt hetzelfde. Hierin wordt geconcludeerd dat onderzoeksresultaten in een op de vijf artikelen over gezondheidszorg overdreven worden.

Lees ook: Helpen ananasplanten tegen snurken? Hoe NU.nl factcheckt voor Facebook

Lucas Brouwers, chef wetenschapsredactie van NRC, vindt daarom dat journalisten zich bewust moeten zijn van de rol van voorlichters. ‘Wij schrijven nooit een stuk op basis van een persbericht. Je moet verder kijken, dat is je journalistieke plicht. Je moet zelf in de ruwe materie duiken.’

Uiteindelijk is het mechanisme waardoor ‘opgeblazen’ wetenschapsnieuws ontstaat steeds hetzelfde, zegt Maarten Keulemans, wetenschapsredacteur bij de Volkskrant. ‘Wij journalisten willen dat onze krant gelezen wordt, de onderzoekers willen dat hun onderzoek opvalt en gelezen wordt. De persberichtenmaker wil dat de naam van de universiteit genoemd wordt in de media. En daarom gaat iedereen het net wat spannender opschrijven.’ Terwijl het oorspronkelijke onderzoek best genuanceerd kan zijn, verdwijnen nuances steeds meer naar de achtergrond in dat doorgeefproces. ‘Het is als dat spelletje van ‘Chinese whispering’, waarbij de zin geleidelijk verandert bij het doorgeven.’

Geen nieuwtje om te scoren

Wie wil schrijven over wetenschap, plaatst geen berichtjes om alleen maar te scoren. Dat is tip twee. Dit gebeurt best vaak. Niet alleen bij bladen als Libelle (zoals hier), maar ook bij een landelijk platform als de NOS (pats, boem, auw!). Je moet kritisch blijven, vindt NRC-redacteur Brouwers: ‘Als wetenschapsjournalist ben je er niet om wetenschap te populariseren.’

Daar denken veel journalisten die over wetenschap schrijven anders over, blijkt uit nieuwsmedia-onderzoek door Iris Korthagen aan het Rathenau Instituut (pdf). Sommigen zien zichzelf niet als ‘democratische waakhond’, maar eerder als ambassadeur van de wetenschap of als iemand die wetenschap populair kan maken. ‘Dat is een heel andere motivatie dan andere journalisten hebben. Een politiek verslaggever zal zich bijvoorbeeld niet gauw een ‘ambassadeur van de politiek’ noemen,’ zegt Korthagen.

Dat is niet de bedoeling. Een journalist moet juist de lullige vragen durven stellen, zegt Keulemans. ‘Soms hebben journalisten die over wetenschap schrijven de neiging om de onderzoeker op een voetstuk te plaatsen. Doe dat niet. Stel kritische vragen zoals: waarom deze methode? Is een andere interpretatie mogelijk? Wie zijn het niet met je eens? Ook onderzoekers zijn gewoon mensen die graag in de aandacht willen komen. Heb daarom een gezond wantrouwen tegen ze.’

Niet dat je geen leuke of grappige berichten mag schrijven. Wetenschap in de krant en in andere media heeft vaak de functie van intellectueel amusement, stelt Keulemans. ‘Een krant staat vol met heftig of saai nieuws over Brexit, Mugabe, Trump en Stef Blok. Wetenschap is daarin de verstrooiende factor.’ Daarom komt een bericht als ‘katten luisteren naar hun naam’ in de krant. Niet Nobelprijswaardig, wel interessant voor de lezer. Tóch mag amusementswaarde nooit de enige reden voor publicatie zijn, voegt Keulemans nadrukkelijk toe.

Een eigen expertise

De laatste tip: kies je niche en ontwikkel vaardigheden om de onderzoeken te begrijpen. Bij grote wetenschapsredacties hebben redacteuren hun eigen expertisegebied. Zodoende kan de redacteur het beste inschatten wat waardevol wetenschapsnieuws is en wat niet.

Op die manier kan de wetenschapsredacteur ook context geven. Dat is belangrijk, vindt NRC-redacteur Brouwers. ‘Een onderzoek staat nooit alleen. Hoe past dit steentje in het hele bouwwerk? Een onderwerp als schadelijkheid van alcohol heeft context nodig. Dat gaat mensen echt aan.’

Ook is kennis van de wetenschappelijke tijdschriften belangrijk. Het ene tijdschrift is toonaangevender dan het andere, zegt Brouwers. Bovendien moeten journalisten de ‘basics’ van de wetenschap kennen en bijvoorbeeld het nodige weten van statistiek, vult Pleijter aan. Anders help je statistische onzin de wereld in zoals: ’mannen willen geen vrouw als baas’. ‘Met kennis voorkom je dat de journalist ‘beginnersfouten’ maakt bij het publiceren over onderzoek en wetenschap.’

Dit artikel is gebaseerd op het eindonderzoek dat Wouter Hoving deed voor zijn opleiding aan de Rijksuniversiteit Groningen, ter afronding van zijn stage op de wetenschapsredactie van de Volkskrant.

Foto door Mycroyance

Over Wouter Hoving

Wouter Hoving studeerde Nederlands en Journalistiek aan de Rijksuniversiteit Groningen en liep stage op de wetenschapsredactie van de Volkskrant. Hij is nu werkzaam als freelance nieuwsredacteur bij Dagblad van het Noorden en journalistieke start-up Pitch Producties.