Opiniebladen: minder titels, lagere oplage

Momenteel heeft Nederland nog drie opinieweekbladen, binnen een paar maanden zijn er daar nog twee van over. Vrij Nederland wordt net als HP/De Tijd een maandblad: minder kosten, langer in de kiosk en een hogere oplage? Krimp op de opiniebladenmarkt.

Lees hier de meeste actuele cijfers over opiniebladen.

Door Piet Bakker

Aan het eind van de jaren zeventig van de vorige eeuw telde Nederland negen opinieweekbladen. Nu zijn er daar nog drie van over. Vrij Nederland kondigde aan in het tweede kwartaal van 2016 over te zullen stappen op een maandelijkse frequentie waardoor Elsevier en De Groene Amsterdammer overblijven.

Elsevier dreigt overigens wel haar titel kwijt te raken, want eigenaar RELX wil het blad kwijt en verwarring met de wetenschappelijke uitgaven die ook de naam Elsevier dragen, voorkomen. Daarmee zou een einde komen aan de traditie die 1891 begon toen Elsevier als maandblad startte. Collega-overlever De Groene Amsterdammer begon overigens nog eerder, in 1877.

Van negen titels eind jaren zeventig naar twee binnenkort, en met een fors lagere oplage bovendien. Elsevier is nog steeds de grootste met een betaalde oplage van 80.000. Vergeleken met 2014 is dat stabiel, maar sinds 2007 is Elsevier zo’n 60.000 van de betaalde oplage kwijtgeraakt. Dat jaar was het hoogtepunt voor de titels met een betaalde oplage van meer dan 140.000.

Vrij Nederland daarentegen daalt vrijwel constant sinds 1998* toen de oplage rond de 70.000 lag. Nu is daar nog 23.000 van over. Ook het weekblad HP/de Tijd daalde tussen 1998 (36.000) en 2012 (22.000) toen het blad werd omgezet naar een maandblad.

De Groene daarentegen maakte een constante groei door, van 14.000 naar 20.000 in 2013. De laatste twee jaar bedraagt de betaalde oplage 19.000.

opinieweekbladen 1998 - 2015
Betaalde oplage opinieweekbladen, 1998 – 2015

Gerekend vanaf 2000 verliezen de opinieweekbladen bijna 50% van hun oplage, maar dat komt ook doordat HP/De Tijd geen weekblad meer is. Als die titel niet wordt meegerekend, gaat het om een verlies van bijna 40% (van 200.000 naar minder dan 125.000).

Sinds de overstap van HP/De Tijd naar maandblad kennen we ook de categorie opiniemaanden in Nederland. HP/De Tijd eindigde haar weekbladperiode met 22.000 in 2012. De oplage klom naar 26.000 in 2013 en was 25.000 in 2015.

In 2013 lanceerde Elsevier ook een maandblad, Elsevier Juist. De oplage startte bij 12.000 en is nu 18.000. Het kwartaalblad Maarten concentreert zich ook op opinie. De oplage schommelt tussen de 15.000 en 20.000. Samen hebben de maandbladen en Maarten een oplage van iets onder de 60.000.

opiniemaandbladen 2012 - 2015
Betaalde oplage opiniemaandbladen, 2012 – 2015

139 jaar opiniebladen ziet er zo uit: veertien titels in totaal, de De Groene als oudste, twee fusies (Elsevier en HP/De Tijd), twee omzettingen naar een maandblad (HP/De Tijd en VN), twee titels met een dagbladverleden (De Tijd en Forum) en drie titels die het maar een jaar volhielden (Nieuwsnet, Forum en Opinio).

opiniebladen graphic historisch
Opiniebladen 1877-2015

 

* In het laatste kwartaal van 1998 werd de oplage voor het eerst gemeten door het HOI waardoor de vergelijking over de periode t/m 2015 mogelijk is. In 2015 nam het NOM de metingen over. De uitgangspunten zijn gelijk, alleen worden er minder details openbaar gemaakt. Het aantal proefabonnementen bijvoorbeeld wordt niet langer gerapporteerd.

Over Piet Bakker

Piet Bakker was tot voor kort lector Crossmedia & Journalistiek aan de Hogeschool Utrecht.

Reageer

1 comments

Het is algemeen bekend dat het Nederlandse taalgebied aan het eroderen is en dat de oprukkende straaltaal veel meer terrein heeft kunnen winnen dan wat sociolinguisten durfden voorspellen. Het feit dat het aantal van negen opiniebladen gereduceerd is tot het dramatische aantal van drie,heeft bij niemand enige vorm van schokangst doen inboezemen. De daarbij van toepassing zijnde hartekreet is vaak: “laat maar waaien”.
Het Nederlands heeft in Nederland een ambivalente waarde: op het ene front is enige taalarrogantie voelbaar en op het andere front voel je de vibratie van een behoorlijke onverschilligjheid t.a.v. de ontwikkeling van het Nederlands taalgebied. Het redigeren en uitgeven van een opnieblad heeft rechtstreeks te maken met het desbetreffende taalgebied, in ons geval de positie van het Nederlands. Men is tegenwoordig allergisch voor het zware woord, de lange zin en voor lappen tekst. Al het geschrevene moet de vorm , inhoud en formaat hebben van de junkfood. Deze laatste is in hilarische zin tegenstrijdig met de constatering dat de nu eenmaal lange Nederlanders zich uitsluitend behangen met korte zinnen. Het blikveld van de Nederlandse bladenuitgevers zijn van oudsher zodanig ingekrompen en ingedijkt dat ze niet zien en willen begrijpen dat taalgrensverlegging met zich zou kunnen meebrengen dat er een groter aantal leesconsumenten zich als afnemer zou kunnen ontpoppen voor hun producten. Met taalgrensverlegging bedoel ik niet dat de in Nederland gedrukte bladen zomaar ter verkoop gedumpt zouden kunnen worden in bijvoorbeeld Suriname, op de Nederlandse Antillen en Belgie. Naast de taal speelt het aangesneden thema ook een rol. Wie zou zich in Suriname en op de Antillen willen interesseren in een gekissebis in de Nederlandse Tweede Kamer ook al zijn de in het Nederlands geschreven teksten wel degelijk goed te begrijpen. In Nederland wonen er veel Surinamers waarvan de talenten op het terrein van de MKB, kunstzinnige expressie, sport etc. zich ook graag voor het voetlicht geplaatst zouden willen worden. Maar in Calvinistisch Nedrland kan zoiets nooit enige nieuwswaarde hebben!! Nederlandse bladenuitgevers zijn ten aanzien hiervan gelijk autistsische kinderen die niet verder wensen te kijken dan de omtrek van het tafelblad waaraan zij voor zich zitten uit te staren.

Geef een reactie

*