Verhalen uit de dikke duim: waarom journalistieke fraude zo moeilijk uit te bannen is

verzonnen journalistieke verhalen

Verzonnen anekdotes, in elkaar geknutselde bronnen en plaatsen die niet bestaan. Om de zoveel jaar duikt er weer een ‘journalist’ op die zijn verhalen bij elkaar gelogen blijkt te hebben. Is het onvermijdelijk dat er eens in de zoveel tijd zo’n einzelgänger opduikt, of is er iets mis met het journalistieke systeem?

In het onlangs verschenen boek Tausend Zeilen Lügen beschrijft de Duitse Spiegel-journalist Juan Moreno hoe hij zijn met tientallen prijzen bekroonde collega Claas Relotius ontmaskerde als fraudeur. Niet alleen bronnen, maar hele verhalen had hij uit zijn duim gezogen. Moreno schetst een ontluisterend beeld van de omvang en systematiek van Relotius’ fraudes. Zo heeft die laatste bijvoorbeeld bewust weekblad Der Spiegel uitgekozen voor zijn verhalen, stelt Moreno, omdat het een papieren blad is met een afgesloten online archief. De verhalen verdwijnen er achter een betaalmuur en zijn niet meer voor iedereen te checken. Ideaal voor een fraudeur.

Wel héél mooie bronnen

Maar misschien nog schokkender is de reactie van zijn werkgever. Ondanks de bewijzen die hij aandraagt, geloofden de chefs Moreno niet. Sterker nog, hij dreigde zijn baan te verliezen omdat hij karaktermoord zou plegen op zijn gevierde collega. Pas toen men niet meer om het bewijs heen kon, draaide Der Spiegel bij en ging het blad na een intern onderzoek diep door het stof.

Hoe toon je aan dat iemand niet bestaat?

Dat redacties niet altijd even open reageren, ontdekten ook Rasit Elibol en David Davidson van De Groene Amsterdammer. Zij onthulden begin dit jaar dat de Roermondse gemeente-ambtenaar Peter Blasic bij onder andere HP de Tijd, Elsevier, Apache, Knack en Nieuwe Revu bronnen had verzonnen. Tijdens het VVOJ-congres van afgelopen maand vertelden ze hoe ze te werk waren gegaan. Elibol: ‘Een verhaal van hem over de maffia in Nederland vond ik opvallend, hij had wel héél mooie bronnen gevonden, dus gingen we googelen. Na een uurtje wisten we eigenlijk al dat veel bronnen niet klopten. Maar we wilden ze allemaal natrekken. Dat kostte tijd. Want hoe toon je aan dat iemand niet bestaat?’

Niet de pathologie van de dader was hun uitgangspunt, niet de persoon Blasic. Het ging hen om een fout in het journalistieke systeem – de vertrouwensrelatie tussen (freelance) medewerkers en hoofdredacties en het contact tussen redacties onderling. Want wat het meest opviel: de meeste bladen hadden de fraude zelf al geconstateerd en artikelen teruggetrokken, maar er niet over gecommuniceerd. Zo kon Blasic bij een volgend blad verder zijn gang gaan, waar hij met de eerdere opdrachtgevers op zijn CV makkelijk binnenkwam. Elibol: ‘Het probleem was groter dan dit ene geval, het ging over drie hoofdredacties die hem hadden betrapt en dat niet wereldkundig hadden gemaakt. Dan probeer je een analyse te maken: hoe kunnen we zorgen dat dit probleem uit de journalistiek verdwijnt?’

Rode vlaggen

Ook bij Elma Drayer gingen in 2014 de alarmbellen rinkelen toen Trouw-collega Perdiep Ramesar herhaaldelijk anonieme bronnen opvoerde. Ze sprak erover met collega’s, maar ondernam verder niets. Daar heeft ze nog steeds spijt van. ‘Het is natuurlijk niet leuk om een collega te wantrouwen, maar achteraf denk ik dat ik het vertrouwen onder collega’s als een te makkelijk excuus heb gebruikt om niets te doen.’ En met haar de rest van de redactie van Trouw, stelt zij. Toen Ramesar geen anonieme bronnen meer mocht opvoeren, dacht iedereen dat de kous af was. Dat hij gewoon namen zou verzinnen, dat had niemand voor mogelijk gehouden.

De gevallen Relotius, Ramesar en Blasic zijn misschien incidenten, elke fraudeur is anders, maar de verhalen vertonen opvallende gelijkenissen. De reportages gingen over moeilijk toegankelijke groeperingen, vaak in het buitenland, over maatschappelijke thema’s waar veel belangstelling voor was. De bronnen bleven anoniem of waren alleen met voornaam genoemd en dus niet te verifiëren. In het geval van Blasic en Relotius waren hun achtergronden bij de redacties onvoldoende bekend. Blasic was zelfs nooit op de redacties geweest. Allemaal rode vlaggen.

Het is belangrijk dat de journalistiek laat zien dat we ook elkáár controleren als dat nodig is.

Volgens Drayer zijn redacties tegenwoordig wel alerter. ‘Het is net als na een grote ramp. Dan worden er maatregelen genomen en strengere regels gesteld. Het bewustzijn aangaande dit soort fraude is zeker gegroeid, maar dat kan ook snel weer wegzakken.’

Kwetsbaar systeem

Het systeem blijft kwetsbaar, want journalistiek is voor een groot deel gebaseerd op vertrouwen. En, vraagt Elibol zich af, heeft Blasic niet precies gedaan wat media graag willen? Smeuïge verhalen vertellen over moeilijk bereikbare bronnen? Tot deze conclusie komt ook Moreno. Relotius kon doorgaan omdat hij de mensen verhalen schonk waar zij naar hunkerden. Ze klopten alleen niet.

Moreno stelt bovendien dat de reportage een genre is dat kwetsbaar is voor fraude. Daarin gaat het immers niet sec om feiten, maar ook om sfeerimpressies, belevenissen, overgebracht met literaire stijlmiddelen om ‘informatie indringender te transporteren’. Juist in dat genre kan het verleidelijk zijn de dingen net iets mooier of sappiger op te schrijven dan ze daadwerkelijk zijn.

Elibol denkt daarom dat alertheid nodig is en blijft. ‘Het is belangrijk dat de journalistiek laat zien dat we ook elkáár controleren als dat nodig is. Het is natuurlijk wel lastig, je hebt het toch over collega’s, maar media zijn een machtsfactor, dus het is heel belangrijk te laten zien dat we elkaar scherp houden en controleren.’

Ook Drayer zou het nu anders aanpakken. ‘Een collega verklikken, dat doe je niet. Wat ik wel zou doen is zelf uitzoeken of het vermoeden klopt en misschien met de journalist zelf in gesprek gaan. Daarna kun je naar je chef stappen. Dan is het geen vermoeden meer, maar kom je goed beslagen ten ijs.’

Over Birte Schohaus

Birte Schohaus (dr.) is journalist en onderzoeker. Ze schrijft over het spanningsveld tussen media, politiek en maatschappelijke onderwerpen voor onder meer Follow the Money, De Groene Amsterdammer en NRC Handelsblad. Haar doctorstitel behaalde ze met een onderzoek naar de relatie tussen politici en talkshows. Voor het Stimuleringsfonds maakt zij een serie over onderzoeksjournalistiek.