Was vroeger alles beter? Waarom het Stimuleringsfonds 45 jaar geleden al nodig was

Oprichting Stimuleringsfonds

De ‘digitale revolutie’ heeft beide pijlers van het verdienmodel van de media geraakt. Adverteerders zoeken hun publiek tegenwoordig online en abonnee-aantallen dalen vanwege de overvloed aan gratis nieuws online. Kortom, vroeger was alles beter, zo lijkt het soms wel. Toch richtte de overheid in de jaren 70 al een fonds op ter ondersteuning van noodlijdende dagbladen, nieuwsbladen en tijdschriften. Waarom was dat destijds nodig? Een betrokkene en twee wetenschappers blikken terug op de oprichting van het Bedrijfsfonds voor de Pers, de voorloper van het Stimuleringsfonds.

 

Het begon allemaal met de vorige revolutie in de journalistiek, de opkomst van audiovisuele media, zegt Jo Bardoel, emeritus-hoogleraar communicatiewetenschap. Radio en tv namen in eerste instantie geen inkomstenbronnen van de geschreven pers weg, legt hij uit, hoogstens wat leestijd.

Dat veranderde in de jaren ’60, door de komst van etherreclame: de STER. De politiek besloot dag- en nieuwsbladen te ‘compenseren’, omdat de geschreven pers schade ondervond door de etherreclame. ‘Vooral de bladen die een redelijke oplage hadden, maar een dunne spreiding over het land’, zegt Lou Lichtenberg, voormalig directeur van het Bedrijfsfonds voor de Pers, het latere Stimuleringsfonds voor de Journalistiek. ‘Adverteerders vonden dat minder interessant, liepen weg en gingen adverteren via de etherreclame.’

45 jaar Stimuleringsfonds

Het Stimuleringsfonds voor de Journalistiek bestaat 45 jaar. In die periode veranderde er nogal wat: hield het fonds zich in de begintijd uitsluitend bezig met de steun aan noodlijdende kranten en tijdschriften, de laatste jaren ligt de focus op innovatie. Dit is deel 1 van een drieluik over de ontwikkeling van het fonds én de Nederlandse journalistiek. In deel 2: hoe het fonds zich van ondersteuning ging richten op innovatie.

Pluriformiteit

De compensatie voor etherreclame werd tussen 1967 en 1972 uitgekeerd aan dagbladen en nieuwsbladen, voor tijdschriften tot 1969. Het Ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk (CRM) voerde uit. In eerste instantie ging de compensatie naar rato van oplage, vertelt Bardoel. Maar al snel bleek dat contraproductief, want de kleine titels hadden het geld het hardst nodig, maar de grootste kregen juist het meest.

Bardoel, lachend: ‘Toen ontstond de angst dat alleen de Telegraaf over zou blijven.’ En dat terwijl het handhaven van de pluriformiteit juist een speerpunt vanuit de politiek was. In de jaren zeventig kwam daarom de verschuiving van generieke steun voor alle titels naar specifieke steun voor kranten die echt problemen hadden.

Een uitgever beweerde ten overstaan van collega’s nooit of te nimmer aan te kloppen bij het Bedrijfsfonds

Maar specifieke steun leidde direct tot de verdachtmaking dat de politiek een bepaalde visie wilde stimuleren. Lichtenberg herinnert zich dat er destijds acute financiële problemen waren bij twee christelijke dagbladen, De Tijd en Trouw, maar ook bij het (liberale) weekblad de Haagsche Post. Over wie geld zou krijgen, ontstond hevige discussie in de Kamer, want moest de minister daarover beslissen? Nee, er moest een onafhankelijk orgaan komen.

In oktober 1974 richtte het kabinet Den Uyl de stichting Bedrijfsfonds voor de Pers op. De belangrijkste doelstelling: pluriformiteit van het media-aanbod behouden. Lou Lichtenberg, op dat moment secretaris van de Persraad en parttime-medewerker van de directie Radio, Televisie en Pers bij CRM, werd plaatsvervangend secretaris. Secretaris was op dat moment nog Hans van den Heuvel. In 1979 werd Lichtenberg zelf secretaris, vanaf 1988 deed hij dat fulltime en in 1999 werd hij directeur, wat hij tot zijn pensioen in 2011 zou blijven.

Wantrouwende uitgevers

Overheidssteun aan de pers lag niet alleen politiek gevoelig, ook uitgevers zelf waren in het begin erg wantrouwend. Ze wilden helemaal geen steun van de overheid. Lichtenberg herinnert zich nog een uitgever die ten overstaan van collega’s beweerde ‘nooit ofte nimmer aan te kloppen bij het Bedrijfsfonds’. Hij bracht het als een principekwestie. Lichtenberg: ‘En verdorie, de dag erna belt hij op met de vraag of hij toch kan komen praten over steun voor een van zijn kranten.’

Het gebeurde vaker, vertelt Lichtenberg, dat uitgevers in het openbaar het bedrijfsfonds afwezen, maar hem vervolgens toch aanschoten voor hulp. ‘In het begin vond ik dat ontzettend moeilijk.’

Subsidies in de eerste jaren

1974

Haagse Post: 1,8 miljoen gulden
Groene Amsterdammer: 330.000 gulden krediet

1976

Nieuw Israëlietisch Weekblad: 100.000 gulden achtergestelde lening

1977

De Streek: 85.000 gulden krediet

Tijdelijke oplossing

Aan financiële steun waren verschillende voorwaarden verbonden. Het was altijd tijdelijk, en er moest uitzicht zijn op ‘rentabiliteit’: uitgevers moesten binnen afzienbare tijd weer zwarte cijfers schrijven. Bardoel: ‘Kranten en weekbladen zijn op die manier door moeilijke periodes geholpen.’

Mediahistoricus Huub Wijfjes is kritischer. ‘Het was een tijdelijke oplossing voor het ongemak in de dagbladwereld’, zegt hij. Wijfjes constateert dat veel geld is gestoken in kranten die later toch verdwenen, zoals Het Vaderland – een krant gemaakt in Den Haag, en De Typhoon – een weekblad uit de Zaanstreek. En hij vindt dat het ‘tamelijk selectief’ was welke titels steun kregen. Wijfjes memoreert de communistische krant De Waarheid: ‘Dat was zo’n heilige titel die men fanatiek in leven probeerde te houden terwijl hij ten dode was opgeschreven. Die krant weigerde te innoveren.’

Als je niks doet, mislukt alles

Dat er titels zijn verdwenen is vooral vervelend voor de mensen die de titels maakten, vindt Wijfjes, maar het heeft de journalistiek geen kwaad gedaan. Pluriformiteit is op landelijk niveau geen speerpunt meer, en de functie van het Bedrijfsfonds is in de loop van de jaren ook veranderd – evenals de naam. Journalistieke titels zijn volgens Wijfjes tegenwoordig ‘intern pluriform’ geworden, in kranten zoals de VolkskrantNRC en Trouw krijgen verschillende meningen een podium. Online zijn er bovendien veel meer journalistieke platforms bijgekomen.

Desondanks benadrukt Wijfjes dat hij nooit tegenstander is geweest van het Bedrijfsfonds. ‘Dit is het probleem dat subsidiefondsen altijd met zich meeslepen. Het geld dat wordt uitgegeven, levert misschien slechts een paar successen op en daar staan een heleboel mislukkingen tegenover. Maar als je niks doet, mislukt alles.’

Foto: Oprichtingsdocument Bedrijfsfonds voor de Pers 

Over Jolanda van de Beld

Jolanda van de Beld studeerde Nederlands, Politicologie en Journalistiek & Media aan de Universiteit van Amsterdam. Ze werkt als freelance journalist voor onder andere NRC en Investico en houdt zich veel bezig met de nieuwe mogelijkheden van online journalistiek.