Nieuws

Directeur René van Zanten neemt afscheid van SVDJ: ‘Ik hoop dat er een club van bezorgde journalisten komt’

Nieuws | SVDJ

Deze maand neemt René van Zanten afscheid als directeur van het Stimuleringsfonds voor de Journalistiek. Toen op 11 november de scenariostudie ‘Journalistiek 2035’ werd gepresenteerd, keek René in zijn welkomstwoord terug op elf jaar bij het Stimuleringsfonds en reflecteerde hij op de betekenis van de scenario’s. Dit is een ingekorte versie van die toespraak.   

Dotcoms en dead trees  

Het moet rond de eeuwwisseling geweest zijn, bij een media-congres in Zürich. Daar heerste een opgewonden sfeer. De wereld stond – dankzij internet – op het punt om radicaal te veranderen. Destijds was de mediawereld overzichtelijk ingedeeld. Aan de ene kant waren er  de aanhangers van de papieren krant,aan de andere kant de parochianen die er vast in geloofden dat internet alles met elkaar zou gaan verbinden, dat de toekomst van media er binnen een paar jaar dramatisch anders zou uitzien. Aan de ene kant de ‘dead trees’, aan de andere kant de dotcoms. 

Het bedrijf met verreweg het grootste aantal regionale kranten, Wegener, had destijds Maurice de Hond als adviseur. Die predikte dat je met internet nog nét geen blikje doperwten kon verplaatsen, maar verder eigenlijk alles wel kon oplossen. Papier zou binnen hooguit vijf jaar zijn verdwenen, de economie zou nooit meer een recessie kennen, we stonden op het punt de wondere wereld van de newconomy te betreden, the internet of things, de natte droom van Chriet Titulaer. Wie toen iets had moeten zeggen over de toekomst, zou hebben voorspeld dat het internet de wereld op spectaculaire wijze aaneen zou smeden, dat iedereen toegang zou krijgen tot dezelfde informatie en dat dat tot een soort massale democratiseringsgolf zou gaan leiden. 

Nina Brink 

Duizenden mensen stopten hun spaarcentjes in aandelen World Online van Nina Brink. Wat World Online precies deed, begrepen de meesten niet zo goed, maar het was nieuw, het was digitaal, het was de toekomst. Nog geen week na de beursintroductie waren de meeste beleggers hun geld zo goed als kwijt, was de oprichter van World Online op weg naar de uitgang en zag de toekomst er plots weer heel anders uit.  

Ook Newconomy, het bedrijf van Maurice de Hond, kwijnde weg. Maar zo ontstond de ruimte om de Deventer moordzaak op te lossen, Steve Jobsscholen op te richten en de strijd aan te binden met het RIVM. Een lastige tijd om voorspellingen te doen. Er kwam gewoon weer een recessie dankzij de kredietcrisis en de doorbraak van internet leek een beetje gestopt.  

En kranten? Die waren in 2009 bijna de helft van hun oplages kwijt zonder dat daar iets voor in de plaats kwam, anders dan investeringen in het ene (doorgaans geldverslindende) digitale avontuur na het andere. Nee, dat was tenminste helder: de toekomst was aan kleine nieuwe media-partijen. Die grote partijen zouden langzaam maar zeker leegbloeden en al helemaal nooit meer winst gaan maken (was toen de voorspelling). 

Facebook als wapen van de onderdrukten 

Er kwam een Commissie-Brinkman, die eigenlijk als opdracht had om na te denken over de toekomst van dagbladuitgevers. Die commissie rapporteerde in 2009. Toen de commissie rapporteerde, was er nog geen sprake van social media. Die braken pas door in 2010. De Arabische lente liet zien dat social media een revolutie konden helpen dragen, gesloten werelden konden openbreken. Een fijne, positieve rol was weggelegd voor partijen als Twitter en Facebook; zij zouden gaan helpen van de wereld een mooier, eerlijker speelveld te maken, een geducht wapen van de onderdrukten. 

En zo ging Virtual Reality de wereld veranderen, zouden sensoren in onze smartphones de wereld veranderen, net als blockchain, Google Glass, kunstmatige intelligentie, 3d-printers en 3d-camera’s. Het is er allemaal of bijna, maar het heeft ons leven nog niet fundamenteel veranderd. Kennelijk zijn de verwachtingen wel goed, maar niet in de tijd. En natuurlijk heeft internet de wereld veranderd, media veranderd. Maar anders dan we toen voorspelden.  

Zo biedt internet ook de mogelijkheid om te laten zien wat ‘scoort’ en wat niet. Menig redactie vertoont als gevolg daarvan de kenmerken van een wedkantoor, met overal beeldschermen en monitoren die aangeven welk verhaalhoe lang wordt gelezen. Terwijl we zo’n tien jaar geleden nu juist hadden verwacht dat internet een enorme verrijking zou worden voor de journalistiek, omdat het nieuwe vertelvormen biedt, met uitstapjes naar video, audio, graphics, noem maar op. 

Niemand kon ook voorzien dat het internet zulke ongelofelijke privacy-issues zou opleveren. En wat zijn die issues precies? Als nu hackers dreigen de gegevens van gebruikers openbaar ter maken, liggen bedrijven plat, gaan er geruchten over losgeld. In de tijd van de Commissie-Brinkman stond er op elke straathoek een telefooncel met telefoonboeken waarin van zo ongeveer elke Nederlander het adres en telefoonnummer was opgenomen. Nu zou je dat een datalek van jewelste noemen. Allemaal munitie voor de stelling dat voorspellen een lastige zaak is. 

Een grimmig beeld 

De voorbeelden zijn bedoeld om aan te geven dat er een belangrijk verschil is tussen het maken van scenario’s en het doen van voorspellingen. Bij een scenariostudie beredeneert een groot aantal mensen de uithoeken van waarschijnlijke toekomstbeelden. Het wijkt dus ook af van een voorspelling, omdat je wat concreter kunt bepalen wat je moet doen om ergens weg te blijven, of een specifiek scenario nu juist te omarmen. 

Het Stimuleringsfonds voor de Journalistiek liet een scenario-onderzoek uitvoeren in 2014 en meende (pandemie, Trump, Brexit etcetera) dat er argumenten waren om die studie te herhalen. Er was behoefte aan een nieuwe toekomstverkenning en het zou interessant zijn te zien wat de verschillen zijn tussen beide studies.  

De methode (in de basis ontwikkeld binnen Shell) bestaat eruit dat een groot aantal betrokkenen met elkaar discussiëren over de vraag wat voor de toekomst zekerheden zijn en wat de twee grootste onzekerheden zijn. Die twee grootste onzekerheden vormen een horizontale en een verticale as. Dat geeft ruimte aan vier scenario’s, waarbij de zekerheden worden gebruikt om de scenario’s (uiteraard afgezet tegen de onzekerheden) in die kwadranten in te vullen.In 2014 werden dezelfde onzekerheden benoemd als in de recente studie (vertrouwen en de ontwikkeling van technologie). Maar ze werden heel anders ingevuld. In 2014 was de vraag of technologie zich in hetzelfde tempo zou blijven ontwikkelen of op – al dan niet natuurlijke – grenzen zou stuiten. In de recente studie is de vraag of de technologie zich niet al zó heeft ontwikkeld, dat deze onstuitbaar is geworden. Waar vertrouwen in 2014 vooral vertrouwen betrof in instituties, gaat het in de recente studie vooral over vertrouwen in elkaar. 

Al met al een grimmig beeld: waar we zeven jaar geleden vooral worstelden met verdienmodellen (wie betaalt er nog voor journalistiek?) zien we in de recente studie een ander probleem: journalistiek zelf. Wie is journalist, wat is journalistiek, wat is echt, wat is nep, wie manipuleert wie met hele leugens, halve waarheden en hoe komt het dat zó veel mensen daarin meegaan. Hoe kan het dat de woede van mensen die zich om wat voor reden dan ook onbegrepen voelen zich tegen journalisten keert? 

Verrassingen zullen er altijd blijven. Wie bij die conferentie in Zürich zou hebben voorspeld dat grote dagbladuitgevers in 2021 nog altijd stevig in het zadel zitten, zou zijn weggehoond. Wie had voorspeld dat in 2021 de journalistiek zelf zó onder druk zou staan, zou verbaasd zijn aangekeken. Zo zullen er ook in 2035 ontwikkelingen zijn, die we nu niet voorzien. Maar wat wél wordt voorzien is een wereld waarin de journalistiek nog meer in de verdrukking zit. De antwoorden daarop zijn, kort samengevat, dat journalisten zich aanpassen aan de omstandigheden. 

Mag journalist stelling nemen? 

Daarin zit een belangrijke boodschap aan de journalistiek. Geen enkel scenario biedt de journalistiek een wenkend perspectief. Zelfs in de scenario’s waarin het vertrouwen is hersteld, vinden we journalisten die commercieel gedreven keuzes maken of zich keurig houden aan de bedding die door een dominante overheid en een voorzichtige maatschappij worden aangegeven. 

Erger nog lijken de vooruitzichten bij een samenleving waarin wantrouwen prevaleert; daar vinden we journalisten die ‘bubbels’ opzoeken en hun werk afstemmen op de ‘volgers’ binnen die bubbel, óf journalisten die overleven door stelling te nemen in het debat. Bij mij is dat alsof iemand door mijn ziel kerft, want wat mij betreft neemt journalistiek enkel en alleen stelling tegen fictie, tegen leugens, tegen baarlijke nonsens, tegen gevaarlijke mythes, tegen gejokkebrok, tegen onbewezen, ongefundeerde meningen en beschuldigingen. 

Ik hoop dat journalistiek daar niet in mee gaat. In mijn ogen begint kwalitatief goede journalistiek bij feiten. De selectie van die feiten en de rangschikking laten nog genoeg ruimte voor nuance en gemenigheid. Los daarvan, er zijn nu wel genoeg decision makers, ijdeltuiten, aandachtjunks en influencers die zich in het media-menu van menigeen hebben gewurmd. Laat alsjeblieft journalistiek in dat menu een betrouwbaar ingrediënt blijven. Anders komen we steeds dichter bij een wereld waarin de Aarde plat is en Mark Rutte leidinggeeft aan een satanistische beweging.  

De club van bezorgde journalisten 

Dus, ik hoop dat er mensen opstaan die het opnemen voor de journalistiek, dat er een club van bezorgde journalisten wordt gevormd. Dat die niet alleen nadenken over hoe de journalistiek op zaken moet reageren, maar vooral anticiperen en op zoek gaan naar antwoorden, want de journalistiek zou zich ook moeten afvragen hoe het komt dat iemand met een camera of een opschrijfblokje bij sommige mensen het schuim op de lippen tovert.  

Ik ga dat allemaal van wat grotere afstand volgen, met heel veel belangstelling en heel veel betrokkenheid. Want als je je hele leven in de journalistiek en met de journalistiek bezig bent geweest, dan laat je dat niet zomaar los. Goede, betrouwbare journalistiek, gemaakt door journalisten die daarmee hun boterham kunnen verdienen en die objectief mogen en kunnen berichten, is van het aller-, allergrootste belang. Het was een eer en een genoegen om daar een tijdje over mee te mogen denken. Iedereen die daarmee verder gaat, en natuurlijk in het bijzonder bestuur en medewerkers van het Fonds, wens ik daarbij alle goeds. 

22 december 2021
2073 woorden 7 min. lezen