Wat gaat er verloren als de reactiemogelijkheid verdwijnt?

Mensen die typen

Ongepast, grof, beledigend: de ene na de andere Nederlandse mediawebsite heeft genoeg van de lezersreacties onder artikelen en sluit de reactiemogelijkheid. Het modereren van de reacties kost nu eenmaal te veel tijd, en de discussie verplaatst zich toch steeds meer naar Twitter en Facebook. Maar doen media er verstandig aan hun lezers die ruimte op de eigen site te ontzeggen?

“Gewoon monddood gemaakt dus.”

“Puur censuur.”

“Dat is dus voor mij het einde van het bezoeken van deze site.”

“Belachelijk! Je wordt gewoon gedwongen om op social media over te gaan.”

Een greep uit de reacties onder een van de laatste artikelen waarop lezers van de site van RTV Oost konden reageren: de aankondiging dat de site zou stoppen met de reactiemogelijkheid onder hun berichten. RTV Oost is niet de enige: een na de andere Nederlandse mediawebsite heeft de afgelopen tijd de reactieruimte op de site gesloten. Het in de gaten houden en modereren van reacties kost te veel tijd; er komen veel grove en beledigende berichten binnen. Een ander argument is dat de discussie zich steeds meer verplaatst naar platforms als Twitter en Facebook. Het levert protest op van lezers. Doen media er verstandig aan de reactiemogelijkheid op de eigen site te sluiten? Wat gaat er mogelijk verloren?

Mensen maken het niet makkelijk om het in stand te houden

Bij NDC Media, waaronder Dagblad van het Noorden en de Leeuwarder Courant vallen, bestaat de online reactiemogelijkheid nog. Toegegeven, ook hier is wel geopperd ermee te stoppen. “Mensen maken het niet makkelijk om het in stand te houden”, zegt Jan Rozendaal, chef digitaal bij NDC Media.

Betaalde relatie

Maar Rozendaal wil de ruimte voor reacties niet door een paar “malloten” laten verpesten. Zo lang het goed gaat, zegt hij, levert het betrokkenheid op. Mensen die op een artikel reageren, redeneert Rozendaal, zullen snel geneigd zijn later nog eens terug te gaan naar de website om de discussie te volgen. “Als lezers meerdere keren per dag naar onze site gaan, is de kans groter dat ze meer artikelen op onze site lezen”, zegt Rozendaal. Betrokkenheid kan volgens hem uiteindelijk leiden tot een ‘betaalde relatie’: een abonnement. Rozendaal kan niet vertellen over hoeveel abonnementen het dan gaat, want dat is niet één op één te meten.

We willen mensen liever op onze eigen site hebben dan dat ze op Facebook blijven hangen

Betrokkenheid is volgens Rozendaal ook om een andere reden gunstig: voor adverteerders is een website met veel verkeer erg aantrekkelijk. Indirect zou de reactiemogelijkheid dus invloed kunnen hebben op advertentie-inkomsten. Reacties via Facebook of Twitter zijn vanuit dit oogpunt geen goed alternatief. “We willen mensen liever op onze eigen site hebben dan dat ze op de Facebookpagina blijven hangen”, zegt Rozendaal. Een ander bezwaar is dat je mensen zonder Facebook- of Twitter-account uitsluit.

In gesprek met lezers

Maar naast het zakelijke perspectief denkt Rozendaal dat de reactiemogelijkheid ook vanuit inhoudelijk perspectief nuttig is. Voor verslaggevers is het interessant om te zien hoe mensen reageren op een onderwerp. Welke vragen stellen ze en welke nieuwe ideeën of invalshoeken worden er geopperd?

De interactie tussen journalisten en publiek was een veelbelovende mogelijkheid voor traditionele media door de komst van internet. “We zien nu dat die interactiviteit heel ingewikkeld is om vorm te geven. In gesprek raken met elkaar blijkt met een reactiemogelijkheid onder een artikel niet goed te werken”, zegt Anita van Hoof, universitair docent communicatiewetenschap aan de VU in Amsterdam. Maar het had wel de potentie. Met het verdwijnen van de reactieruimte op mediawebsites gaat een mogelijkheid voor communicatie en interactie tussen journalisten en publiek verloren, denkt zij.

Het is heel zonde om te denken dat je als journalist alle kennis in huis hebt

Hoe had het dan wel gemoeten? Bij De Correspondent is de reactieruimte onder de artikelen van het platform hét voorbeeld van hoe interactie tussen journalist en publiek toch kan slagen. Verschil is wel: reageren kan alleen als je betalend abonnee bent. Journalistiek wordt beter van lezersreacties, betoogt Mayke Blok, mediastrateeg bij De Correspondent. “Het is heel zonde om te denken dat jij als journalist alle kennis in huis hebt.” Lezersbijdragen op basis van kennis en expertise zijn onmisbaar voor De Correspondent.

Sturing nodig

Hoe organiseer je als medium geslaagde interactie tussen journalist en publiek? “Een reactiemogelijkheid openzetten levert niet spontaan interessante bijdragen op,” zegt Van Hoof. Volgens haar is meer sturing nodig, verwachtingen moeten duidelijk zijn. Dat komt overeen met wat De Correspondent in de praktijk ervaart: een gerichte vraag levert gerichte antwoorden op, zonder duidelijke oproep wordt het een troep. “Mensen zijn gewend om te reageren met een mening, maar wij proberen hun expertise naar boven te krijgen”, zegt Blok. Dat doet De Correspondent door te blijven herhalen wat de bedoeling is van de reactieruimte. En door een duidelijke vraag te stellen, bijvoorbeeld: welke boeken moet deze auteur nog lezen?

Interactie vergt bovendien tijd en inzet van beide kanten, zegt Van Hoof. “Als je van lezers vraagt uitgebreid en inhoudelijk te reageren moet ook worden bevestigd dat die reacties ergens toe leiden.” Ze ziet dat bij De Correspondent gebeuren: de auteurs nemen zelf deel aan de discussie. Dat heeft overigens nog een ander positief effect op de reacties, zegt Blok: “Bijdrages worden gericht tot de auteur zelf in plaats van het platform. Daardoor worden mensen minder snel grof.”

Over Jolanda van de Beld

Jolanda van de Beld studeerde Nederlands, Politicologie en Journalistiek & Media aan de Universiteit van Amsterdam. Ze werkt als freelance journalist voor onder andere NRC en Investico en houdt zich veel bezig met de nieuwe mogelijkheden van online journalistiek.

Reageer

3 comments

Zouden veel ‘minder geslaagde’ reacties niet voorkomen kunnen worden door reageerders te verplichten in te loggen op een manier die (publiek) bewijst wie ze zijn, dus met hun echte naam, een werkend e-mail adres en desnoods een LinkedIn-account (of evt. een Facebook account met voldoende foto’s)?

@wimnusselder:disqus Wellicht, dan wordt het wel persoonlijker. Maar voor alle complexe problematiek bestaat nooit één oplossing. eea heeft ook te maken met het onderwerp, wat voor soort artikel het is (genuanceerd/ophitsend/onvolledig, enzovoort), aanwezigheid/afwezigheid van moderatoren/journalisten, invalshoek v/d discussie (stellingen poneren of vragen stellen), doel van de discussie (zoals mevr. Blok aangeeft: duidelijk maken dat er iets wordt gedaan met reacties), curatie (gebruik je upvoten/downvoten, licht je als redactie waardevolle reacties uit) en wat dies meer zij…

Reacties zijn toelaatbaar, NIET als dreigementen worden geuit, als de ware voor- en achternaam worden gepubliceerd. Dat vergt wel modereren en misschien koppeling met het betalende abonneebestand. Wij op http://www.vandaagenmorgen.nl (klein) hebben de oplossing gevonden door te eisen voor- en achternaam. Verborgen is het e-mailadres. Vaak controleren we dat en dan zie je vanzelf of de voor- en achternaam klopt. Dat kunnen we alleen doen omdat bij ons nog overzichtelijk is.

Geef een reactie

*