© Pexels

Journalisten over hun contact met voorlichters: ‘Wij-zij-denken heeft geen zin’

Nieuws | Op de werkvloer

  • Tom Janssen
  • 03 september 2026
  • 1223 woorden , 5 min. lezen

Ergernissen tussen journalisten en voorlichters zijn zo oud als de weg naar Rome. Maar nu is er zelfs een Rode Lijst, waarin onderzoeksplatform Woeste Grond bijhoudt welke vragen communicatieafdelingen hebben laten liggen. Waar komen de frustraties tussen beide beroepsgroepen vandaan? En wat kun je als journalist doen om de relatie werkbaar te houden? Vijf journalisten delen hun ervaringen en tips.

Nee, dit wordt geen artikel waarin aan de hand van allerlei smakelijke anekdotes de communicatiesector door het slijk wordt gehaald. En nee, het wordt ook geen klaagzang over hoe slecht het gesteld is met de voorlichting in Nederland. Want, zo zeggen de vijf journalisten met wie we spraken, er valt over het algemeen goed te werken met communicatieadviseurs. 

Dat het Brabantse online onderzoeksplatform Woeste Grond onlangs een Rode Lijst publiceerde, is dan ook geen oorlogsverklaring, zegt oprichter Rens van de Plas. Je zou het eerder als een plaagstoot richting voorlichters kunnen zien. De lijst is een overzicht van door Woeste Grond gestuurde vragen die onbeantwoord zijn gebleven. Ook staat bij iedere vraag waarom de betreffende organisatie of persoon geen reactie heeft gegeven.

Drukmiddel

‘Het is een drukmiddel,’ stelt Rens van de Plas, oprichter en hoofdredacteur van Woeste Grond. ‘Door communicatieafdelingen worden we regelmatig met een kluitje in het riet gestuurd. Dan krijgen we geen antwoord en daarmee is de kous dan af. Terwijl ik vind dat we transparantie moeten bieden aan onze lezers over de vragen die we hebben gesteld en waarom ze niet beantwoord worden.’

Wij journalisten mogen ons wel wat meer mobiliseren

Rens van de Plas, oprichter Woeste Grond

Van de Plas stoort zich aan de lakse houding van veel instanties. ‘Soms antwoorden ze wel, maar lang niet op alle vragen. Of gaan ze maar deels op een vraag in. Ik vind dat we daar als journalisten best wat tegenover mogen stellen. We mogen ons wel wat meer mobiliseren.’

Freelance onderzoeksjournalist Judith Spanjers, die schrijft over de zorg voor onder meer Follow The Money en Pointer, ziet veel verschillen tussen communicatiemensen. ‘Sommigen zijn heel meewerkend. Weer anderen werken goed mee, maar geven alsnog beperkt antwoord. En er zijn er bij wie meteen de deur op slot gaat.’ Zeker gemeenten mogen nog wat stipter zijn, vindt Spanjers. ‘Ik werk vaak aan grote dossiers en dan moet ik soms maanden wachten totdat ik de informatie krijg waar ik om heb gevraagd. Al zijn mijn vragen ook wel wat complexer dan die van een reguliere nieuwsverslaggever en vragen ze meestal om meer uitzoekwerk door de voorlichter.’

Luiken dicht

Pim Cléber, redacteur bij streekomroepen Heuvelland Vandaag en Mijnstreek Vandaag in Zuid-Limburg, bespeurt een zekere vrees bij woordvoerders. ‘Met name bij kleine gemeenten. Daar zie je dat ze persaandacht niet zo gewend zijn, behalve als er iets groots aan de hand is. Vaak gaan door angst alle luiken dicht. Maar gebrekkige communicatie heeft in veel gevallen te maken met de aansturing vanuit de organisatie en de druk die op zo’n voorlichter gelegd wordt.’

Dat laatste punt van Cléber wordt bevestigd door cijfers. Uit de Gemeente Communicatie Monitor 2024/2025, uitgevoerd door het bureau Capital ID, komt naar voren dat gemeenten uit Nederland toenemende druk ervaren vanuit de eigen gelederen. 117 adviseurs van zo’n 70 gemeenten deden aan dit onderzoek mee. Volgens 80 procent van de ondervraagden blijft de capaciteit achter bij het toenemende aantal keren dat er een beroep op hen gedaan wordt, zowel intern als extern. Ruim 46 procent van de deelnemers ervaart veel tot heel veel stress door hoge werkdruk.

En daarvoor mogen journalisten wat meer begrip hebben, vindt Cléber. ‘We moeten ons af en toe ook verplaatsen in ‘de ander’. Men is niet altijd onwelwillend. Je kunt als journalist wel gefrustreerd zijn over de manier waarop met jouw vragen wordt omgegaan, maar je moet altijd met elkaar in gesprek blijven. Het helpt als je investeert in de relatie. Je kunt best een keer koffie met elkaar gaan drinken, zonder dat daar direct een verhaal uitrolt. Wij-zij-denken heeft in ieder geval geen zin.’

Fatsoenlijk zijn

Ook Bas van Sluis, nieuwschef en onderzoeksjournalist bij Dagblad van het Noorden, vindt het opbouwen van en investeren in relaties belangrijk. ‘Je kunt als journalist gaan zitten klagen in een hoekje, maar je zult je tot communicatieadviseurs moeten verhouden. Je moet begrijpen wat hun belang is. Maar als het goede adviseurs zijn, snappen ze ook wat jij als journalist wilt doen. Tenminste, als de relatie goed is en als ze zien hoe jij in de inhoud zit.’

Een Rode Lijst, zoals Van de Plas die hanteert, is volgens Van Sluis dan ook geen goed idee: ‘Natuurlijk ben ik wel eens flink pissig op een voorlichter. Maar nogmaals: als je fatsoenlijk bent, blijft volhouden én transparant bent, komt het wel goed. Zo’n lijst zie ik niet zitten. Zit de lezer daadwerkelijk te wachten op jouw achterhoedegevechten met voorlichters?’

In dit tijdperk van sociale media zijn bedrijven huiverig om openheid te geven

Juurd Eijsvoogel, mediaredacteur NRC

Overigens bestaat er een groot verschil tussen hoe communicatieafdelingen van gemeenten persvragen beantwoorden en hoe dat er in het bedrijfsleven aan toegaat. ‘Zeker in dit tijdperk van sociale media zijn bedrijven huiverig om openheid te geven,’ weet Juurd Eijsvoogel (NRC). ‘Een verkeerde uitspraak van een directeur of bestuurder kan een hele verkeerde zwieper aan het imago of de koers van een bedrijf geven.’

Vervelende vragen afhouden

Grote techfirma’s zijn bijvoorbeeld vaak erg moeilijk te bereiken, zegt Eijsvoogel, die over media en technologie schrijft: ‘Van een bedrijf als Meta krijg je nauwelijks een reactie, terwijl het in onze dagelijkse levens een grote speler is. Veel techfirma’s hebben een PR-bedrijf in de arm genomen, dat niet zoveel weet van de firma maar vervelende vragen kan afhouden, waardoor ze geen verantwoordelijkheid hoeven afleggen.’

Ook zorginstellingen zijn niet zelden zo gesloten als een oester, ondervindt Judith Spanjers regelmatig. ‘Die gooien alles op privacy als excuus om geen antwoord te hoeven geven. Ook als de privacy niet in het geding is. De angst regeert daar. Terwijl zorgorganisaties een grote maatschappelijke verantwoordelijkheid hebben. Geslotenheid zorgt in mijn ogen juist voor wantrouwen. Wat ik daaraan doe? Gewoon de vragen blijven stellen die gesteld moeten worden.’

Eijsvoogel is over het algemeen positief over zijn ervaringen met communicatiemensen in Nederland. In tegenstelling tot wat hij vroeger als correspondent in Duitsland meemaakte: ‘Daar wordt alles gecontroleerd. Een interview moet altijd door de geïnterviewde geautoriseerd worden. Het is erg formeel. In Duitsland wisselen collega’s echt geen telefoonnummers of mailadressen van bestuurders met elkaar uit. Laat staan dat je die zelf weet te krijgen. Daar moet zo goed als alles langs de communicatieafdeling.’

Inzicht in bonnetjes

Eijsvoogel heeft nog wel een tip voor communicatiemensen die moeten dealen met journalisten: ‘Ik denk dat nog vaak wordt onderschat dat de meeste journalisten te goeder trouw te werk gaan, om hun stad, land of de portefeuille waar ze over schrijven, beter te maken. Daarom is het belangrijk dat voorlichters weten wat ze aan jou als journalist hebben.’

Ondanks zijn Rode Lijst is ook Rens van de Plas positief over sommige communicatieafdelingen: ‘Bij de gemeente Tilburg mag ik praten met ambtenaren, bijvoorbeeld. Weliswaar met voorlichters erbij, maar toch: ik vind dat zo’n gemeente dan echt goede wil toont om mij te helpen. Ook gaven ze mij inzicht in bonnetjes van een receptie die op het stadhuis was georganiseerd, zonder dat ik daar een WOO-verzoek voor hoefde in te dienen. Daar ben ik echt blij mee.’

Nieuwsbrief

Ontvang ons laatste nieuws
Dit veld is bedoeld voor validatiedoeleinden en moet niet worden gewijzigd.
Dit veld is verborgen bij het bekijken van het formulier